Hoofdstuk 16

Vind je dit gedicht mooi?Deel het op Facebook

13 mei 2009

Na urenlang in het niets gestaard te hebben, voelde John zijn maag knorren. Onderweg naar de keuken bleef hij speuren naar dingen die ontbraken. Hij vond het antwoord uiteindelijk in de koelkast, die helemaal leeg bleek te zijn. ‘Ik wist het!’ riep hij hardop, terwijl hij op de grond stampte, te beleefd om te vloeken.

Maar wie steelt er nou melk en brood en brengt in ruil daarvoor chinees? Hij kon het antwoord niet bedenken. Het enige dat hij wist, was dat vanaf het moment dat de vreemdeling op zijn deur had geklopt, zijn stille, eenvoudige en geordende leven behoorlijk was verstoord.

Met tegenzin besloot hij terug te gaan naar de slaapkamer om zich aan te kleden voor een tweede tripje naar de supermarkt deze week. Maar voordat hij naar boven ging, duwde hij de stoel waarin hij een dag eerder had liggen slapen opzij en ging op zijn knieën ernaast zitten. Zijn oude maar sterke handen pakten een houten vloerplank vast en wrikten die los, waarna een geldkistje onder de vloer zichtbaar werd. John opende het en haalde er een stapeltje geld uit. Vervolgens streek hij met zijn vingertoppen over de sieraden die daaronder verborgen lagen. Ergens vond hij het nog steeds verschrikkelijk dat hij de kostbare juwelen van zijn moeder een voor een moest verkopen om rond te komen, maar het was precies waarvoor zij ze hem had nagelaten, als appeltje voor de dorst. Het enige onzelfzuchtige dat ze ooit voor hem had gedaan. Hij had het Mary nooit verteld, omdat hij haar ermee had willen verrassen op het moment dat ze het nodig zouden hebben.

John was zich er toen hij deze verstopplek uitzocht volledig van bewust dat een schat onder een losse vloerplank verbergen het toppunt van cliché was. Maar hij was een romanticus, dus vond hij het een prachtplek. Dan was er nog zijn fantasie dat, mochten hij en Mary ooit overlijden, er een of ander arm stelletje in hun huis zou komen wonen dat op een goede dag de waardevolle spullen onder de vloer zou vinden.

Volledig in gedachten verzonken verliet John zijn huis. Op het moment dat de zware deur achter hem dichtviel, schoot een vervelende gedachte hem net te laat te binnen.

Zijn sleutels. Hij klopte op zijn zakken, maar alleen om te constateren wat hij al wist. Ze hingen nog netjes aan het haakje naast de voordeur.

Dat was hem nooit eerder overkomen. Zijn ergernis richtte zich direct op Tucker, de oorzaak van dit alles. Immers, zonder hem had hij nu niet naar buiten gehoeven.

Met tegenzin marcheerde hij met grote stappen naar de supermarkt, een boze man op een zonnige dag. John voelde zich bedrogen. Niet omdat Tucker zijn brood had gestolen, maar vooral omdat hij zich had voorgedaan als vriend maar hem onmiddellijk verraden had, iets waarvan John na het gebeuren met Evan had gezworen dat hij het nooit meer zou laten gebeuren.

Het park was afgeladen met drukke, vrolijke mensen, maar John keek recht door ze heen. Hij was voor de tweede keer deze week op weg naar de supermarkt voor brood en een pak melk en dat vond hij z’n reinste tijdverspilling. Niet dat hij er ook maar één afspraak om zou missen. Sterker nog, zijn leven was inmiddels zo leeg dat dit avontuur werkelijk nergens effect op zou hebben, maar daar ging het niet om. Eén keer per week de supermarkt bezoeken was zijn ritueel, een manier om zichzelf een gevoel van controle te geven.

Stampend door het park dat John niet wilde zien, had hij geen oog voor de kinderen die in het gras speelden, niet voor de schattige stelletjes in het gras en niet voor een iPod-dragende jongen op het skateboard, die hem ook niet zag en daardoor keihard tegen hem opbotste.

Voordat John in de gaten had wat er aan de hand was, lag hij op de grond en keek hij in ten minste vijf gezichten van mensen die zich over hem heen hadden gebogen.

‘Gaat het, meneer?’

‘Is hij dood?’ klonk het iets te enthousiast uit de mond van iemand die hij niet kon zien.

John probeerde op te staan, maar iemand duwde hem onmiddellijk weer terug. ‘Blijf liggen. Misschien hebt u uw nek wel gebroken.’

‘Sodemieter op met je gebroken nek,’ sneerde John, terwijl hij de hand wegsloeg.

De omstanders deden geschrokken een stap achteruit. John krabbelde overeind.

‘Gast, ben je in orde? Heb je je zeer gedaan?’ vroeg de jongen met het skateboard.

Fel draaide John zich om. ‘Waar zat je met je hoofd, idioot? Racen door het park als een achterlijke gek met dat gevaarte van je! Ik had wel dood kunnen zijn!’

‘Maar gast!’ reageerde de nu verongelijkte jongen.

John kapte zijn betoog meteen af: ‘Maar? Maar? Er is geen maar. Of wilde je misschien ontkennen dat je me bijna had omgelegd met je rare stunts? En het is nog altijd “meneer” en “u” voor jou, jij kleine…’

Toen viel het stil.

De blik in Johns ogen veranderde in een lege vorm van staren. Zijn mond viel open. De mensen om hem heen waren doodstil. John was in shock. Hij strompelde naar voren, zijn benen pijnlijk van de val, de blik in zijn ogen nog even leeg als daarvoor. ‘Mary?’ fluisterde hij. Het strompelen veranderde in een onhandig loopje, en terwijl hij zijn armen gebruikte om zich een weg te banen door de menigte om hem heen, veranderde het onhandige loopje in een voorzichtig rennen.

‘Mary? Ben jij dat echt?’ Hij rende zo snel als zijn benen hem konden dragen naar wat hij in de verte had gezien. Naar zijn vrouw die niet
zijn vrouw kon zijn. Naarmate hij de afstand tussen zichzelf en haar
wist te verkleinen, werd hij zich er langzaam maar zeker van bewust
hoe onrealistisch en onmogelijk hetgeen was dat hij dacht te zien. Hij verloor haar gezicht telkens uit het oog tussen de tientallen andere in het drukke park. Ze was het niet. Ze was het wél. Maar ze kon het niet zijn. Mary was dood.

Maar toch, dat gevoel, die rilling door zijn lichaam. Hoe kon ze het niet zijn? Zo plotseling als hij haar had gezien, zo snel verloor hij haar ook weer uit het oog. Hij stopte met rennen toen hij de boom bereikte waar hij gedacht had Mary te ontwaren, plaatste zijn hand tegen de bast en boog wat voorover in een poging op adem te komen. Het had hem zoveel energie gekost, dat hij de behoefte voelde om over te geven. Misschien had hij zijn hoofd gestoten bij zijn val. Hoe anders viel dit te verklaren?

Het was niet de eerste keer dat hij Mary had gezien na haar dood. Vlak nadat ze was overleden gebeurde dat zelfs heel vaak. Bijvoorbeeld wanneer hij in een drukke straat liep of in de supermarkt. Er waren talloze momenten en plekken waarop hij zijn vrouw dacht te zien, maar het was altijd iemand die op haar leek of aan haar deed denken.

Maar dit was anders. John dacht haar écht te hebben gezien, en heel even lieten zijn hersenen de gedachten toe dat Mary nog – of weer – leefde. Zijn denkbeeldige ontmoeting had maar eventjes geduurd, maar de schade was enorm. Emotioneel werd John vijf jaar teruggeworpen in de tijd en hij voelde zich verloren. Niet weten hoe hij de komende paar minuten door moest komen, wetende dat deze minuten gevolgd zouden worden door miljoenen andere. Het was een gevoel dat hij maar al te goed kende. Hij dacht aan de vraag die Tucker hem had gesteld: ‘Wil je dood?’

Vandaag zou hij een ander antwoord hebben gegeven.

Terwijl John zijn weg naar de supermarkt voortzette, dacht hij aan de laatste keer dat hij hier had gelopen in dezelfde gemoedstoestand, op de dag van Mary’s overlijden. Terwijl hij keek naar het park vol kleurrijke mensen en kleurrijke objecten, zag hij flitsen van hetzelfde park vijf jaar geleden. Flitsen van een grijze en donkere omgeving, met verdrietige mensen die hem aankeken met een trieste blik, omdat zijn hersenen de herinnering hadden ontdaan van alles wat mooi en prettig was. Langzaam maar zeker raakte zijn missie op de achtergrond.

Of het toeval was of simpelweg kwam door het feit dat Mary in zijn gedachten was wist hij niet, maar daar stond hij plotseling, pal voor de oude bloemenwinkel, die hem onmiddellijk uit zijn roes trok. Hij had werkelijk geen idee hoe hij hier terecht was gekomen, sterker nog, hij kon zich niet eens herinneren dat hij ergens naartoe was gegaan nadat hij naar adem had gehapt bij de boom. Dat moest toch wel een hersenschudding zijn, dacht John.

Hij stond op het punt om zich om te draaien en zijn gang naar de supermarkt te hervatten, toen een herinnering zijn verlangen prikkelde. Hij dacht aan wat er vijf jaar geleden in de bloemenwinkel was gebeurd, een herinnering die hij lange tijd had onderdrukt, omdat het waanzin was.

Hij had zijn ervaring afgedaan als een waanbeeld. Maar het had wel degelijk echt aangevoeld en hij had zich voor even weer gelukkig gevoeld, zij het tegen een hoge prijs: het verdriet dat daarna volgde was sterker dan het in jaren was geweest.

Nu begon hij zich echter af te vragen of het misschien, heel misschien de moeite waard was geweest. Vooral op een dag als vandaag, een dag waarop ontroostbaarheid bezit had genomen van zijn lichaam en geest, leek dat korte moment van vreugde alles waard.

John vocht tegen de gedachte dat het misschien nog een keer zou kunnen gebeuren als hij de winkel binnenging. Tegen beter weten in bewoog hij zijn hand naar de deurklink.

De deur was op slot. Achteraf realiseerde John zich dat het raar was om iets anders te verwachten, maar diep vanbinnen had hij verwacht dat hij gewoon naar binnen had gekund, zoals vijf jaar geleden. Hij rammelde wat aan de deurklink en keek om zich heen om te zien of niemand hem zag; hij had hier immers niets te zoeken. Maar uiteraard was er niemand, want het oude gedeelte van de stad was nog steeds dood en verlaten. John kon weinig anders doen dan zijn schouders ophalen en weglopen, geïrriteerd omdat dit hele avontuur hem nu al zoveel tijd gekost had, zelfs al had hij niets beters te doen. Waar avontuur was, zag hij gedoe; waar mogelijkheden waren, zag hij dwaalsporen.

Een paar meter bij de winkel vandaan trok een bekend geluid zijn aandacht. Het was een luid, zwaar geluid – het geluid van een groot stalen slot dat opensprong. Een geluid dat John zich maar al te goed herinnerde van de tijd waarin hij de deur van de winkel iedere ochtend opendeed. Aarzelend draaide hij zich om. Had iemand zojuist de deur geopend? Die vraag bleef onbeantwoord, maar John zag dat de deur inderdaad op een kier stond. Hij had geen idee wat hij hiervan moest denken. Het voelde alsof iemand een spelletje met hem speelde, maar er leek niemand in de buurt te zijn. Toch was er een deur open die enkele seconden eerder nog stevig dicht had gezeten.

De uitnodiging die de kier tussen de deur en de dikke muur vormde bezorgde John een gevoel dat ergens tussen angst en nieuwsgierigheid in lag. Alles waarvan hij al die jaren had gedacht dat hij het zich had ingebeeld, leek nu ineens helemaal niet zo denkbeeldig. Sterker nog, diep in zijn hart wist John zeker dat, zodra hij de winkel opnieuw binnenstapte, hij wederom zou kunnen genieten van dat kortstondige gelukzalige gevoel van een klein stukje persoonlijke geschiedenis dat zich heel even opnieuw zou manifesteren.

Maar kon hij dat nog wel verdragen? Zouden een paar seconden geluk genoeg zijn? John twijfelde, en in zijn twijfels dacht hij aan Tucker en de reeks gebeurtenissen die hij had meegebracht en die er, wederom, voor hadden gezorgd dat John voor een deur stond die de scheiding vormde tussen zichzelf en een onvoltooid hoofdstuk in zijn leven. Hij besloot te geloven dat de gebeurtenissen niet toevallig waren, want dat gaf hem een reden het pand te betreden.

De deur kraakte onheilspellend toen John hem voorzichtig openduwde. Vervolgens stapte hij behoedzaam naar binnen, de duisternis in.

John was niet angstig aangelegd, maar de rillingen liepen over zijn rug toen hij het glas en het puin van het plafond onder zijn voeten voelde kraken Echter, het was niet helemaal hetzelfde als vijf jaar geleden. Misschien kwam het door de magische gebeurtenis die hij had aanschouwd, misschien omdat hij zichzelf de afgelopen jaren had opgesloten in de veiligheid van zijn eigen huis, maar de zenuwen gierden door zijn lijf. Heel even overwoog hij zich om te draaien en dit alles achter zich te laten, maar de gedachte aan wat hij hier had meegemaakt en wat hem wellicht opnieuw stond te wachten, maakte dat het bij een overweging bleef.

Hij moest en zou Mary zien, angst of geen angst. Vastberaden, maar zeker niet minder bibberig, baande hij zich een weg door de donkere winkel, of wat daar nog van over was. Hij wist hoe hij het midden van het pand moest bereiken, de indeling van deze plek zou hij nooit vergeten. Hij haalde diep adem en zette zich schrap, al wist hij niet precies waarvoor.

Het was onheilspellend stil in de vervallen ruimte. Het enige wat John kon horen was het zware, snelle slaan van zijn eigen hart. Vijf minuten lang wachtte hij, maar het leek een eeuwigheid. Hij dacht na over hoe hij hier terecht was gekomen; een oude man op een koude, donkere, verlaten en ronduit enge plek. Maar voordat zijn gedachten hem in de negatieve spiraal van Tuckers afkeer trokken, dwong hij zichzelf om zich te concentreren.

Er gebeurde niets. Helemaal niets. John begreep het niet. Deed hij iets verkeerd? Was dit niet precies wat hij vijf jaar geleden had gedaan? Hij twijfelde. Als de winkel niet tot leven zou komen zoals de vorige keer, wat was dan het nut van zijn aanwezigheid hier?

Er moest iets gebeuren, hij wist het zeker. Hij moest deze winkel, deze herinnering tot leven dwingen. Maar hoe?

Zijn ogen! Zijn ogen waren gesloten geweest, herinnerde hij zich. John deed het onmiddellijk weer en voelde op de een of andere manier ook de drang om zijn armen omhoog te tillen, alsof dat hem zou helpen de gebeurtenissen af te dwingen. Als een schoonspringer die op het punt staat zich in de diepte te storten stond hij minutenlang bewegingloos in de duisternis, maar er leek nog steeds niets te gebeuren.

Totdat hij plotseling een verandering in de atmosfeer bemerkte. John glimlachte even, want dit was het. Over een paar tellen zou hij die gelukzaligheid eindelijk weer ervaren. Hij wist niet zeker wat er precies gebeurde, maar het was alsof een krachtige energie zich meester van hem maakte. Het klimaat binnen de winkel veranderde en John verwachtte de heerlijke geur van Mary’s bloemen nu ieder ogenblik te kunnen ruiken. Maar zo snel als de glimlach op zijn gezicht was gekomen, zo snel ook veranderde zijn uitdrukking in iets minder prettigs.

John rilde, alsof de temperatuur in het gebouw binnen een paar seconden twintig graden was gedaald. Hij voelde zich leeg en verslagen, een gevoel dat hij maar al te goed kende, maar waar hij nu helemaal niet op was voorbereid. Hij opende zijn ogen en wat hij zag bezorgde hem zo’n schok dat hij twee grote stappen achteruit zette, struikelde over een losliggend stuk hout en zijn broze lichaam terecht voelde komen tussen het glas en het puin. John wilde het uitschreeuwen van de pijn, maar bleef ijzingwekkend stil, niet bij machte om zijn blik af te wenden van het raam.

Daarachter stond Mary, recht voor zijn neus. Dit was waar hij van had gedroomd, maar op deze manier was het was absoluut niet wat hij wilde. De Mary die hij door het raam zag, leek in niets op de vrouw die hij al die jaren had moeten missen. Twee ijskoude ogen met donkere kringen eromheen staarden de winkel in met een lege blik, precies naar de plek waar John had gestaan, al had ze hem waarschijnlijk niet gezien in de duisternis. Het was een angstaanjagend gezicht, als een geest die rechtstreeks uit een horrorfilm was gelopen en hem nu recht aankeek. John kon zichzelf er niet toe zetten om weg te kijken. Maar zelfs al was dit niet het soort ontmoeting waar hij op had gerekend en zelfs al was hij oprecht geschokt, het was Mary, daarover was geen twijfel mogelijk. Eenmaal bekomen van de schrik, maakte de angst plaats voor verdriet.

John keek naar Mary’s oude lippen, haar lachrimpels die waren veranderd in diepe, serieuze groeven. Hij keek naar het totaalbeeld van een vrouw die ooit vrolijk en elegant was geweest, maar die nu het postuur had van een bittere oude vrouw. Vanuit het niets draaide ze zich weg van het raam en op dat moment bedacht John zich dat er nóg iets anders was dan vijf jaar geleden. Mary was niet in de winkel. Belangrijker nog, ze liep er zelfs van weg, Hoewel ze nog niet uit zijn zicht verdwenen was, raakte John in paniek terwijl ze langzaam wegliep. Zou hij haar nu weer verliezen?

Dat kon hij niet laten gebeuren. Hij probeerde snel op te krabbelen. Een stekende pijn in zijn linkeronderbeen zorgde er echter voor dat dat niet lukte. De schok en de adrenaline van Mary’s verschijning hadden hem dusdanig verdoofd dat hij zijn enkel had verstuikt zonder het in de gaten te hebben. De pijn hinderde hem in zijn poging naar buiten te strompelen, maar zijn angst om Mary nooit meer te zien was vele malen sterker. Hinkelend en half vallend wist John zich naar buiten te bewegen.

Toen hij de buitendeur eenmaal had bereikt, werd hij verblind door het felle zonlicht dat hem als een moker in het gezicht sloeg. John knipperde zo fanatiek als hij kon in een poging zijn zicht zo snel mogelijk terug te krijgen. Terwijl de wereld weer zijn wazige zelf werd, keek hij wild om zich heen. Hij zag niemand, geen enkel levend wezen – en al helemaal geen Mary. Weer te laat. Hoewel John nagenoeg bovenmenselijke krachten had getoond in zijn poging om buiten te komen met een verstuikte enkel, gaf hij zichzelf daarvan de schuld. Een tweede kans diende zich gelukkig snel aan toen Mary uit een steegje opdook.

Johns eerste drang was om in haar richting te rennen – of eigenlijk te hinkelen – en haar te roepen. Hij had zelfs al diep ademgehaald om zijn stem te verheffen, maar zag in dat het waarschijnlijk niet het allerbeste plan was op dit moment. Hij mocht er dan inmiddels van overtuigd zijn dat dit Mary was, dat zij het écht was, maar hij was zich ook enorm bewust van het feit dat dit haar niet kon zijn. Mary was vijf jaar geleden in zijn armen gestorven.

Maar dit kon toch geen toeval meer zijn? Ze moest het wel zijn. Johns pijnlijke enkel verhinderde nog steeds een snelle pas, maar gelukkig deed Mary, of de vrouw die haar zou moeten zijn, ook niet bepaald de honderd meter sprint. John volgde haar en bekeek haar nog eens goed. Ze liep langzaam en onverschillig, zonder ritme en zonder haar ogen van de grond af te wenden. Hoewel John zelf ook een behoorlijk verdrietig loopje had ontwikkeld, had hij zich nooit gerealiseerd dat het zo triest was om te zien.

Plotseling stopte Mary met lopen en keek omhoog. John volgde haar voorbeeld in de verwachting iets heel bijzonders te zien. In plaats daarvan zag hij een kraakheldere blauwe lucht en een extreem felle zon die alle kleuren van de wereld levendiger maakte. Het deed John denken aan het zonnige weer toen Mary stierf en aan hoe hij die dag had vervloekt vanwege zijn schoonheid, omdat het in zijn ogen allesbehalve een mooie dag was geweest. Het deed hem denken aan wat Tucker de avond daarvoor had gezegd: dat de waarheid niet bestaat, maar slechts wat een mens weet en hoe hij dat interpreteert. Hoewel hij nog steeds ontzettend kwaad was op Tucker, begreep hij nu in ieder geval enigszins wat hij daarmee bedoelde.

Met zijn blik naar de hemel gericht, denkend over alles dat was gebeurd, was John glad vergeten dat Mary was gestopt met lopen. Op het moment dat het hem te binnen schoot, wilde hij onmiddellijk stoppen, maar die ondoordachte beweging in combinatie met zijn verstuikte enkel zorgde ervoor dat hij struikelde en bijna met een smak tegen de vrouw aan viel die hij in het geheim had gevolgd. Gelukkig wist hij zich met een half acrobatische, half suffige manoeuvre staande te houden.

Toen hij zich herstelde, zag hij dat hij nog maar centimeters van Mary verwijderd was en dat zij hem wederom recht in zijn ogen aankeek, ditmaal zonder twijfel of ze hem kon zien of niet. Het was onmogelijk, het was niet te bevatten, maar dit was Mary, het kon niet anders. Springlevend, hoewel die omschrijving niet bepaald van toepassing was op de vrouw die voor hem stond. Ja, het was Mary, en ja, ze was in leven, maar de blik in haar ogen was dat niet. Het was hetzelfde paar ogen waarin hij zojuist in de winkel had gestaard. Koud, afwezig, leeg. Jarenlang had John gefantaseerd over wat hij zou zeggen als hij Mary zou ontmoeten, al was het nog maar één keertje en heel even, maar hij had het zich nooit op deze manier voorgesteld; starend in de ogen van een bekende vreemde.

John koos ervoor te zwijgen, wanhopig op zoek naar tekenen van herkenning in Mary’s ogen; tekenen die hij niet vond. Toen, net zo abrupt als Mary was gestopt met lopen, draaide ze zich om en liep verder. Weg van John, weg van dit rare moment, zonder ook maar één woord gezegd te hebben. John was geschokt. Natuurlijk, hij had niets gezegd en hij kon haar niet verwijten dat zij evenmin woorden had kunnen vinden. Daar had hij alle begrip voor, maar dat gaf haar nog niet het recht om zomaar weg te lopen.

Voor het eerst sinds de weken voor haar overlijden voelde hij een andere emotie dan verdriet om Mary. Hij had niet vijf lange jaren om haar gerouwd om bij hun eerste weerzien op deze manier genegeerd te worden. Hij had geen idee wat ze had doorgemaakt en wat de uitleg was van het feit dat ze blijkbaar nog leefde, maar wat hij wel wist, was dat hij haar niet zomaar zou laten weglopen.

Echter, als hij Mary daadwerkelijk wilde confronteren, dan moest hij het wel snel doen, want de afstand tussen hen groeide snel. John zette zijn pijnlijke pas voort en riep herhaaldelijk haar naam. ‘Mary?’ hijgde hij, nog altijd niet op adem omdat hij veel te veel inspanning had moeten leveren vandaag. Daarnaast werd de pijn in zijn been steeds erger, waardoor zijn stem nog meer gekweld klonk. ‘Mary? Stop alsjeblieft. Ik wil met je praten. We moeten praten.’

Mary reageerde niet en stopte niet. Sterker nog, naarmate John dichterbij kwam, versnelde ze haar pas.

‘Mary!’ schreeuwde hij nu. ‘Stop alsjeblieft! Ik ben het, John!’

Ondanks haar gebrek aan reactie was John niet van plan om op te geven of zich af te laten leiden. Niet nu. Hij moest weten wat dit was of, in het ergste geval, wíé dit was, als het niet Mary was. Als hij daadwerkelijk op het punt stond zijn verstand te verliezen, zou hij dat inmiddels graag bevestigd zien, zodat hij het tenminste kon accepteren.

Zonder aarzeling en zonder afleiding zette hij opnieuw de achtervolging in. Dit was het moment van de waarheid. Er was inmiddels een grote afstand tussen hen ontstaan en John deed wanhopige pogingen om die te verkleinen. Toen Mary een groep huizen naderde waarvan er ongetwijfeld eentje van haar was, wist John dat hij sneller moest lopen. Hij wilde het, maar het lukte niet. Als een dronken piraat met een houten been sleepte hij zichzelf vooruit, om slechts te merken dat ook Mary weer sneller was gaan lopen. Haar houding, die nog niet zo heel lang geleden verdrietig en onverschillig was geweest, was dat nu totaal niet meer. Ze leek bang en gehaast, en daar raakte John van in de war.

Waarom zou ze bang voor hem zijn? Wist ze soms niet wie hij was? John had geen idee, maar hij was vastberaden om erachter te komen, zelfs als dat betekende dat hij een mogelijk volslagen vreemde helemaal naar haar huis moest volgen. John zag hoe Mary voorzichtig over haar schouder keek om te zien of ze nog steeds werd gevolgd, en dat was uiteraard het geval. De laatste paar meter was ze nagenoeg aan het rennen en John had haar dat graag nagedaan, maar het ging niet. Zelfs met al zijn wilskracht kon hij het niet winnen van een oud lijf en een verstuikte enkel. Hij zag Mary stoppen bij een huis en met nerveuze vingers haar sleutels uit haar tas halen, hetgeen hem wat extra tijd gaf.

Hoewel hij haar nu in rap tempo naderde, zag John dat hij het niet zou gaan halen. Zijn uiterste best was niet goed genoeg. Toch, tegen beter weten in, bleef hij gaan, overtuigd van het feit dat als zij de deur zou sluiten voordat hij er was, hij haar nooit meer zou zien. Terwijl Mary de deur langzaam sloot en wellicht het gevoel had dat ze nu veilig was, gaf John nog eenmaal alles wat hij in zich had en een beetje meer. Het was dat beetje meer dat ervoor zorgde dat John, na een struikel- en wandeltocht, geteisterd door helse pijnen, struikelde over zijn eigen voeten, zijn enkel nogmaals voelde knakken en de pijn door zijn been voelde schieten op het moment dat Mary’s deur in het slot viel.

Terwijl John zijn balans verloor, zich overgevend aan een onvermijdelijke val die eeuwig leek te duren, realiseerde hij zich iets. Hij herkende deze buurt, deze straat, dit huis en zelfs deze deur. Hij zag dat hij op het punt stond om zijn hoofd ongekend hard te stoten tegen een deur die al heel lang van hem was. Op het moment dat die gedachte zijn hoofd bereikte, deed de deur hetzelfde. Vlak voordat hij zijn bewustzijn verloor, galmde er nog maar één gedachte in zijn hoofd.

Het was Mary.

Hoofdstuk 17

13 mei 2009

John had geen idee hoelang hij precies buiten westen was geweest. Toen hij zijn ogen opende verwachtte hij dat de zon hem zou verblinden zoals dat eerder vandaag was gebeurd, maar in plaats daarvan keek hij naar een plafond. Zijn plafond.

Verward trachtte hij overeind te gaan zitten, maar zijn been gaf hem direct harde pijnlijke steken. Zonder de adrenaline in zijn lijf was de pijn lastiger te negeren. Hij keek om zich heen en zag dat hij inderdaad in zijn eigen huis zat. Het zag er precies zo uit als vanmorgen, met één groot verschil: hij had Mary naar binnen zien gaan.

Naarmate hij zijn bewustzijn terugkreeg, herinnerde hij zich ook dat hij een gigantische smak had gemaakt. Hij keek over zijn schouder naar achteren en verwachtte een gigantisch gat in de deur te zien – hij was er immers keihard tegenaan geknald. Maar er was geen gat, er was zelfs geen deuk. Naast de intense pijn in zijn been was John niet eens gewond. Hij had geen buil op zijn hoofd, hij bloedde niet, niets.

Hij probeerde op te krabbelen van de vloer, wat niet bepaald eenvoudig was. Hij was bekaf, verdoofd door de pijn en, niet te vergeten, oud. Toen het eenmaal was gelukt, had John geen idee wat nu te doen. Zijn leven was de afgelopen vijf jaar gevuld geweest met leegte, en na een ochtend als deze, die op zijn zachtst gezegd nogal bewogen was geweest, was hij volledig kwijt wat hij met de rest van zijn dag moest doen. Voor het eerst in vijf jaar vroeg hij zich af wat hij al die tijd met zijn dagen had gedaan. Zat hij op de bank? Keek hij uit het raam? Keek hij televisie? Het enige wat John zich kon herinneren uit de afgelopen vijf jaar was dat hij elke avond naar bed ging en daar elke ochtend weer uit kwam, dat hij eens per week boodschappen deed en elke avond dineerde met Mary.
Dat was het.

Het was niet zozeer dat John zich rot voelde over alle tijd die hij zich had laten ontglippen; hij probeerde zich simpelweg te herinneren wat hij normaliter nu zou doen. Of hij zich dingen verbeeldde door de knal van zijn hoofd tegen de deur of dat het een logische optelsom was van alle vreemde dingen die er waren voorgevallen, John wist niet. Maar hij meende zich toch echt te herinneren dat hij Mary naar binnen had zien gaan. Ze was dus naar alle waarschijnlijkheid echt in zijn huis.

Omdat hij thuis was en op de grond zat, achter een deur waar geen gat in zat en zonder enig letsel, had Johns brein hem er op de een of andere manier van weten te overtuigen dat dit alles een droom was. Maar nu zijn geest met de minuut helderder werd, wist hij zich dat het geen droom was. Hij had Mary achtervolgd, hij was gevallen en hij was bijgekomen in zijn eigen huis. Dat was geen droom! Toch?

Maar hoe kon hij nu binnen zijn? Had Mary hem tegen de deur horen klappen? Had ze hem naar binnen gesleept? Maar als dat zo was, waarom was ze dan van hem weggerend? Waar was ze nu?

Gelukkig was dat een vraag die snel beantwoord kon worden, aangezien John lawaai van boven hoorde komen. ‘Mary? Ben jij dat?’ riep hij, iets waar hij direct spijt van had, want voor zover hij wist had ze hem niet uitgenodigd om binnen te komen. Er kwam geen antwoord, maar het geroep van John had ook niet voorkomen dat de persoon die boven was, naar beneden kwam. Er klonken voetstappen op de trap, gevolgd door een geluid dat zijn hart een sprong deed overslaan. Het was Mary’s stem, die haar liedje neuriede. Hoewel het in niets leek op wat hij vijf jaar geleden in de winkel had gehoord – het had ditmaal een zeer treurige ondertoon – bestond er bij John geen enkele twijfel. Dit waren haar stem en haar liedje.

John onderdrukte de drang om direct naar haar toe te rennen en besloot te wachten tot ze beneden was. Ze kwam de kamer binnen, gekleed in haar troostende zachtroze kamerjas. Ze droogde haar haren af met een handdoek. Het toverde een glimlach op Johns gezicht, want zelfs al leek ze niet heel gelukkig, het was iets wat hij haar eindeloos vaak had zien doen. Het gaf hem het gevoel dat alles weer was zoals het moest zijn, dat alles goed was. Mary was thuis en ze droogde haar haar.

Het vertrouwde gevoel bleek helaas maar van korte duur, want Mary keek niet op en zei helemaal niets. Er klopte iets niet. Ze moest gehoord hebben dat hij haar naam riep en zelfs als dat niet het geval was, dan had ze nu toch wel moeten opmerken dat John midden in de woonkamer stond. Hij wilde Mary’s naam nog een keer roepen, maar deed het niet. Hij voelde dat het niets zou uitmaken. Hij keek hoe ze liep en neuriede, in gedachten verzonken, zich volkomen onbewust van zijn aanwezigheid. Terwijl ze hem naderde op weg naar de woonkamer, minderde ze niet eens vaart, alsof ze dwars door hem heen kon lopen. En dat bleek ze ook te kunnen.

John kreeg op slag geen lucht meer. Hij was in shock, maar zich volledig bewust van wat er zojuist was gebeurd. ‘Is ze een geest?’ mompelde hij. Hij wist niet zeker of hij verdriet of angst zou moeten voelen, aangezien hij nooit echt in geesten had geloofd.

‘Nee, John,’ klonk een bekende stem plotseling van achter hem. Het was Tucker. ‘Niet zij, maar jij!’

John keek hem geschokt aan. Tucker, die in de stoel zat waarin John de avond ervoor in slaap was gevallen, toonde op zijn beurt geen enkele emotie.

‘Hoe bedoel je, ik ben een geest?’ vroeg John met ongeloof in zijn stem. Terwijl hij het vroeg, tikte hij met zijn hand op verschillende delen van zijn lichaam om te laten zien dat er nog altijd iets was om aan te raken. Het was Tucker wederom in recordtempo gelukt hem te irriteren, al kon John hem er nu niet van beschuldigen dat hij gek was, aangezien Mary zojuist letterlijk door hem heen was gelopen.

Tucker stond op uit de comfortabele stoel, liep naar de eettafel en pakte een stoel voor John. ‘Ga zitten. Ik zal je alles uitleggen.’

Vanuit zijn ooghoeken zag John hoe Mary in de stoel ging zitten, niet op de hoogte van het feit dat er twee mannen in haar huis stonden. John begreep er niets van. Waarom kon Mary hem niet zien en waarom zag ze Tucker evenmin? Een ding wist hij inmiddels zeker: wie Tucker ook was, hij was niet langer zomaar een vreemdeling die zijn huis met toeval had bezocht. John was ervan overtuigd dat alle details die Tucker wist over zijn leven, geen dingen waren die hij had gelezen op het bordje naast de deur. Uiteraard weigerde John te geloven dat hij met God te maken had, dat was té absurd. Maar hij keek wél naar een geest (of was er zelf eentje, als hij Tucker moest geloven); Mary’s gedaante was verschenen door een reeks gebeurtenissen die veroorzaakt waren door de man die tegenover hem stond, dus bepaalde krachten of invloeden kon hij Tucker niet ontzeggen.

‘Ik ben geen geest, dat kan niet,’ mompelde hij.

‘Ga zitten, John,’ herhaalde Tucker kalm. ‘Ik zal het allemaal uitleggen.’

John keek naar Mary, die nog altijd in de comfortabele stoel zat, nog altijd haar haren aan het drogen was en in het niets staarde, met waarschijnlijk net zo weinig in gedachten. Daarna ging hij zitten, zelfs al had hij weinig zin om te luisteren naar wat Tucker hem te zeggen had. ‘Leg uit, dan,’ gebood hij. ‘Wat heb je gedaan en waarom?’

Tucker keek verbaasd. ‘Ik? Ik heb helemaal niets gedaan. Zoals ik zei, je bent een geest…’

John sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Ik ben géén geest!’ schreeuwde hij, in de hoop dat de strenge toon in zijn stem zijn ontkenning tot waarheid zou verheffen.

‘Waarom is het zo moeilijk te geloven?’ vroeg Tucker hem in alle oprechtheid. ‘Heb je niet gezien hoe Mary dwars door je heen liep? Hoe ze niet reageerde toen je haar naam riep, al kon ze wel degelijk voelen dat er iemand was? Hoe ze dwars door je heen keek in de bloemenwinkel? Heb je dat niet gezien?’

John haalde zijn schouders op en antwoordde: ‘Natuurlijk heb ik dat gezien, maar ik begreep niet waarom.’

‘Uiteraard begreep je dat niet,’ zei Tucker met een kleine glimlach. ‘Je bent nooit eerder een geest geweest, het zou oneerlijk zijn om te verwachten dat je direct de signalen zou herkennen. Wat ik wel verwacht, is dat je me gelooft als ik zeg dat je een geest bent.’

‘Maar ik kán geen geest zijn!’ schreeuwde John opnieuw.

‘Waarom niet? Hoeveel meer bewijs heb je nodig?’

‘Het kan gewoon niet. Ik herinner me mijn hele dag nog. Ik herinner me hoe ik vanmorgen ben opgestaan. Ik herinner me hoe ik van de trap ben gegleden, hoe ik naar buiten ben gegaan, mijn sleutels ben vergeten. Ik herinner me hoe ik de zon op m’n gezicht voelde. Ik herinner het me allemaal. Ik herinner me de hele dag, vanaf het moment dat ik wakker werd tot het moment waarop ik Mary zag in de winkel, tot het moment waarop ik haar achtervolgde en…’

‘… je bewustzijn verloor nadat je tegen de deur knalde?’ vulde Tucker aan, met een serieuze blik in zijn ogen.

John stopte onmiddellijk met praten. Tucker had gelijk. Er waren vandaag een paar momenten geweest die hij zich niet kon herinneren. En het was niet alleen een dag geweest waarop ontzettend veel was gebeurd, maar ook een dag die vol zat met potentieel levensbedreigende momenten. Immers, John was van de trap gevallen, was keihard geraakt door een jongen op een skateboard, was gevallen in het glas en puin in de winkel na de schok van het weerzien met Mary. Niet in de laatste plaats was hij op hoge snelheid gestruikeld en tegen de voordeur van zijn huis geknald, een gebeurtenis die hij zich helemaal niet kon herinneren, op het ontwaken in het huis na. Om het allemaal nog erger te maken herinnerde John zich niet hoe hij gisteren in zijn bed was beland. Al die gebeurtenissen hadden zijn einde kunnen betekenen, als hij zijn hoofd maar hard genoeg had gestoten. Terwijl hij erover nadacht, bedacht hij dat het de val van de trap niet kon zijn geweest, aangezien hij daarna nog de deur had opengedaan en, belangrijker nog, het skateboardongeluk had gehad. Geesten krijgen geen ongelukken, bedacht John zich, en zelfs al doen ze dat wel, dan is er niemand die ze vraagt of ze in orde zijn. Het skateboardongeluk zelf kon het ook al niet zijn, aangezien mensen daarna nog met hem hadden gepraat en omdat hij was gestruikeld in de winkel, wat geesten ook niet overkomt. Het moest dus wel de laatste val zijn, wat logisch was, aangezien John zich de daadwerkelijke klap niet kon herinneren en binnen was ontwaakt, zonder enig letsel, zonder enige schade aan de deur. Maar waarom had Mary hem dan niet gezien in de winkel en waarom had ze niets gezegd toen ze elkaar in de ogen keken op straat? John was in de war, al begon hij langzaam te geloven dat Tucker misschien toch de waarheid sprak.

‘Maar,’ mompelde hij, ‘als ik dood ben, hoe kan het dan…’

‘Dood?’ onderbrak Tucker hem. ‘Wie heeft hier iets gezegd over dood? Je bent niet dood, je bent een geest. Dat zijn heel verschillende dingen.’

John keek vol verbazing naar Tucker, overtuigd van het feit dat hij hem voor de gek probeerde te houden. ‘Ik ben een geest, maar ik ben niet dood. Het spijt me, maar dit is het meest absurde verhaal dat ik ooit heb gehoord. Ik hoef hier echt niet naar te luisteren!’ Hij stond op uit zijn stoel.

Tucker lachte. ‘Een paar minuten geleden had je nog nooit in geesten geloofd en nu weet jij me te vertellen wat absurd is en wat niet?’ Met een gnuif voegde hij eraan toe: ‘Ik vind je een fijne kerel, John, maar soms ben je echt de meest arrogante eikel die ik ooit ben tegengekomen. Ga weer zitten en luister naar wat ik te zeggen heb.’

Verbaasd door het gebrek aan irritatie in Tuckers stem liet John zichzelf terugvallen in zijn stoel en besloot te luisteren.

Tucker hief zijn handen op en keek John begripvol aan. ‘Ik weet dat dit allemaal heel verwarrend voor je moet zijn. Ik ben hier om je te helpen, maar om dat te kunnen doen, moet je op zijn minst geloven dat dat mijn intentie is.’

‘Tucker…’ zuchtte John. ‘Ik wil niet onbeleefd zijn en ik wil ook niet respectloos overkomen, maar heb je enig idee wat je van me vraagt?’ Hij wachtte op het antwoord, maar kreeg dat niet. ‘Ik bedoel… Je komt hier ongevraagd opdagen, gooit alles overhoop wat ik liefheb, rooft mijn koelkast leeg, zorgt ervoor dat ik mezelf buitensluit… Door jou heb ik vandaag een verschrikkelijke dag gehad. En nu ben je hier, weer aan mijn tafel, en vraag je me om geloof te hechten aan het meest ongeloofwaardige verhaal dat ik ooit heb gehoord. Dat kun je toch niet van me verwachten?’

Tucker knikte bedachtzaam. Hij tikte met zijn vinger tegen zijn kin en zei toen langzaam en weloverwogen: ‘Heb vertrouwen, John.’ Toen zijn gesprekspartner sceptisch een wenkbrauw optrok, vervolgde Tucker: ‘Kijk me eens aan. Kijk me écht aan. Zie jij in deze ogen iets anders dan goede bedoelingen?’

Uit beleefdheid keek John in zijn ogen. Hij had zich niet eerder gerealiseerd dat hij deze ogen vaker in zijn leven had gezien. Het waren de ogen van een lieve jongeman, links groen en rechts blauw. ‘Weet je,’ zei John, ‘het is niet zozeer dat ik je niet geloof of dat ik je niet wil geloven. Maar goede bedoelingen zeggen me niet zoveel. Mary zei altijd…’

‘De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen?’

‘Ja, precies.’

‘Ik weet het. En dat is niet helemaal onwaar. Sterker nog, daar heb ik je gisteren zelf aan helpen herinneren: de grootste oorlogen beginnen met goede bedoelingen. Maar weet je wat me daaraan stoort, John?’ ging Tucker verder. ‘Het is zo’n cynische en negatieve blik op het leven. Ja, er gebeuren soms inderdaad slechte dingen met goede bedoelingen, maar als je geen goede bedoelingen meer kunt hebben, wat heb je dan nog? Slechte bedoelingen brengen sowieso niets goeds, zoveel is zeker. Het maakt me soms zo verdrietig dat mensen bekritiseerd worden omdat ze iets proberen. Proberen is het enige wat je kunt doen. Het is alles wat je hebt.’ Hij haalde diep adem. ‘Er was nog iets wat Mary altijd zei. Wellicht herinner je je het.’ John groef in zijn geheugen, probeerde het antwoord te bedenken, maar hij begreep niet waar Tucker op doelde. Die liet een korte pauze vallen en zei toen: ‘Mensen verdienen niet alleen een tweede kans, maar vooral ook een eerste.’

John glimlachte. Het was een van die dingen die Mary zo bijzonder maakten. Zelf had hij altijd zijn oordeel klaar gehad, en nog steeds. Mary daarentegen oordeelde niet voordat ze iemand had leren kennen. Ze was van mening dat je mensen de kans moest geven om te laten zien wie ze zijn, waarom ze doen wat ze doen en hoe ze dat bedoelen.

‘Ik kan je geen garanties geven, John,’ zei Tucker. ‘Ik kan je niet vertellen dat uiteindelijk alles goed komt, aangezien ik niet weet of dat zo is. Maar ik kan wel garanderen dat mijn bedoelingen goed zijn en dat ik je probeer te helpen. Ik vraag je om een kans. Geen tweede kans, maar een eerste.’

Het leek bijna alsof hij John smeekte om hem te geloven, alsof hij zelf iets te verliezen had als John hem niet geloofde. Dat raakte John, aangezien hij kon zien dat Tuckers bedoelingen allesbehalve egoïstisch waren. ‘Ik begrijp het,’ zei hij.

Terwijl hij alles wat Tucker hem had verteld verwerkte, kon hij de drang niet weerstaan om naar Mary te kijken, die nog steeds in haar stoel zat. Ze was gestopt met het drogen van haar haar. De handdoek zat nog steeds deels om haar hoofd gewikkeld en ze hield hem vast, maar los daarvan zat ze stil. Eng stil, als een standbeeld. Haar gedachten waren overduidelijk afgedwaald naar een plek ver van deze kamer en John had er alles voor gegeven om die gedachten te kunnen lezen, om haar te troosten, zoals ze hem zo vaak had getroost tijdens hun huwelijk.

‘Waarom is ze zo verdrietig?’ fluisterde John. Hij was zich er onmiddellijk van bewust hoe raar het was dat hij plotseling fluisterde, aangezien hij eerder vandaag tegen haar had geschreeuwd en zij hem niet had gehoord.

‘Je kunt fluisteren als je wilt, hoor,’ zei Tucker. ‘Het is een logische stap die je hersenen nemen op basis van de nieuwe informatie die ze hebben ontvangen. Het gaat wel over. Of niet. Het maakt niet zoveel uit.’ Daarna, met een serieuzere blik in zijn ogen: ‘Ze is verdrietig omdat je dood bent, John. Ze mist je. Ze mist je verschrikkelijk.’

John, die alles wat hem was verteld had geprobeerd te accepteren, was nu volledig in de war. ‘Dood? Maar je zei net…’

‘Ik weet wat ik heb gezegd, maar het is niet altijd zo eenvoudig, zo zwart-wit,’ onderbrak Tucker hem.

John merkte dat hij geen moeite meer wilde doen om alles te begrijpen. Hij was moe van de raadsels, moe van het feit dat hij niet wist wat er aan de hand was. ‘Tucker, vertel me de waarheid: ben ik nu dood of niet?’

‘Je bent dood,’ antwoordde Tucker. Net toen John op het punt stond in paniek te raken, voegde hij daaraan toe: ‘Maar je bent ook nog heel erg levend.’

John was geen agressieve man, maar hij voelde nu enorm de behoefte om Tucker bij zijn schouders te pakken en hem flink door elkaar te rammelen, alsof dat de waarheid uit hem zou schudden.

‘Ik weet wat je denkt en ik weet dat je in de war bent en geïrriteerd, maar probeer te begrijpen dat ik geen spelletjes met je speel. Wat ik je ga vertellen is niet eenvoudig te begrijpen. Tenminste, je zult het wel begrijpen, maar het zal niet makkelijk zijn om ten volle te beseffen wat het betekent en wat de gevolgen zijn. Ik probeer het je met beleid te vertellen, want ik weet wat voor hekel je eraan hebt als mensen slecht nieuws zomaar op je dak gooien.’

‘Vertel me de waarheid.’

‘De waarheid,’ herhaalde Tucker knikkend. ‘Het is interessant dat je dat woord noemt. Herinner je je nog dat we gisteren hebben gesproken over de waarheid? Over dat die niet bestaat?’

John knikte.

‘Nu vraag je me of je dood of levend bent, maar er is geen eenvoudig antwoord op die vraag. Ja, je bent dood. Je bent dood in Mary’s ogen. Mary herinnert zich hoe je ziek bent geworden, hoe je kanker hebt gekregen en hoe je stierf in haar armen, vijf jaar geleden. Ze herinnert zich hoe ze de afgelopen vijf jaar verdrietig heeft doorgebracht. Verdrietig en eenzaam. Voor haar ben je heel erg dood. Maar toch sta ik hier tegen je te praten en heb je jezelf verschillende keren bezeerd. Je hebt interactie gehad met de wereld.’

‘Precies!’ John wilde opspringen en schreeuwen, maar in plaats daarvan vroeg hij alleen maar: ‘Hoe kan ik al die dingen hebben gedaan als ik al vijf jaar dood ben?’

‘Je kunt al die dingen doen omdat je niet dood bent. Jij als mens bent niet dood; je bent heel erg levend. Maar voor Mary ben je dat niet.’

De frons in Johns voorhoofd verdiepte zich. ‘Betekent dat dan niet dat Mary een geest is?’

Tucker dacht een paar seconden na. ‘Nou ja, op een bepaalde manier is ze net zozeer een geest voor jou als jij voor haar. Gisteren vroeg ik je wat je wilde. Gerechtigheid, zei je, dát wilde je. Je zei dat jij degene was die had moeten sterven, dat het Mary was die beter af was geweest zonder jou dan andersom.’

‘Je bedoelt…’

‘Ja. Ik laat je zien hoe het leven eruit zou zien als de dingen waren gegaan zoals ze volgens jou hadden moeten gaan. Ik toon je gerechtigheid. Tenminste, jouw versie daarvan.’

John wist niet wat hij hierop moest zeggen. Uiteraard was het allemaal moeilijk te geloven geweest als Mary niet aan de andere kant van de kamer had gezeten, springlevend, terwijl ze hem niet zag. Maar waarom? En hoe?

John stond op het punt om Tucker deze twee korte, maar zeer belangrijke vragen te stellen, toen deze wederom zijn gedachten leek te kunnen lezen en zei: ‘Ik heb het je al gezegd: soms is het beter om je niet af te vragen waarom iets gebeurt, en simpelweg te accepteren dat het zo is.’

Het was het soort antwoord dat John liever niet wilde horen en het soort antwoord dat hij normaliter ook niet zou accepteren, maar hij besloot dat hij deze situatie toch niet zou begrijpen of geloven, welke uitleg Tucker er ook bij gaf. Maar hij had nog wel ontelbare vragen, en op een paar daarvan moest hij echt antwoord hebben. ‘Maar wat moet ik nu dan doen? Waar en wanneer houdt dit op?’

Tucker schokschouderde. ‘Er is niet veel dat je kunt doen. Zoals je gemerkt hebt, kan Mary je niet zien. Ze is zich niet bewust van je aanwezigheid, oftewel, je bent een geest voor haar.’

‘Dus ik kan alleen maar toekijken?’ vroeg John, hoewel hij het antwoord eigenlijk niet wilde horen. Hij keek graag naar Mary, maar hij verlangde zo intens naar interactie met haar.

‘Kijken is een van de weinige dingen die je kunt doen, maar geloof me, dat alleen al zal je nog zwaar vallen.’

Dat had John inmiddels begrepen, aangezien hij Mary voor het eerst in zijn leven pijn had zien lijden terwijl hij niets kon doen. Hij kon haar niet zeggen dat alles goed zou komen. Daarbij wist hij verdraaid weinig over haar huidige wereld en of alles daadwerkelijk goed zou komen, maar dat deed er niet toe.

‘Een van de weinige dingen?’ vroeg John, zich realiserend dat hij bijna een belangrijke kans had gemist. ‘Wat kan ik dan nog meer?’

‘Ik kan je hier verder niets over vertellen, John. Dit is iets wat je zelf moet ontdekken. Het enige wat je moet weten is dat als het eindigt – en ja, er is een “als” – dan gebeurt dat wanneer jij besluit dat het moet eindigen. Je zult in staat zijn om te doen wat je moet doen op het moment dat het nodig is.’

John was inmiddels al gewend geraakt aan de raadselen waarin Tucker sprak, maar van deze opmerking begreep hij niets. Hij keek naar Mary die nog steeds bewegingsloos in zijn (nu haar) stoel zat, en terwijl hij naar haar keek, realiseerde John zich dat hij de afgelopen vijf jaar niet veel anders had gedaan. Hij herkende zich in de lege blik in haar ogen en waar hij zich eerder niet had kunnen herinneren hoe hij zijn dagen had gesleten, herinnerde hij zich nu dat hij urenlang in diezelfde stoel had gezeten, alleen maar nadenkend over… tja, waarover eigenlijk?

Hoewel John weinig zin had in nog meer raadsels, besloot hij dat er nog één ding was dat hij wilde weten. ‘Hoe…’

Hij draaide zijn hoofd terug naar Tucker, maar die was nergens meer
te bekennen. In plaats van zich af te vragen hoe Tucker zo plotseling
had weten te verdwijnen – al was Johns hoofd vandaag zo wazig dat Tucker net zo goed op had kunnen staan en vertrekken zonder dat hij het merkte – vroeg hij zich af hoe iemand die zo beleefd was, zo slim en zo attent, tegelijkertijd zo bot kon zijn. ‘Je loopt niet zomaar weg tijdens een gesprek,’ mompelde hij.

Hij wendde zijn blik weer tot Mary, die gelukkig niet was verdwenen. John wist niet wat te doen. Ze kon hem niet zien, maar zou ze hem ook niet kunnen voelen? Wat als hij haar gezicht aanraakte, zou ze dat dan voelen? Zou ze een rilling over haar lijf voelen? Zouden ze een kruis-dimensionale knuffel ervaren die hen met elkaar verbond, dwars door de tijd en de ruimte heen? Of gebeurde zoiets alleen in de film? John had niets gevoeld toen Mary door hem heen was gelopen op weg naar haar stoel, los van de schok die kwam met het besef dat ze door hem heen liep, of hij door haar, hij wist niet zo goed welke van de twee nu van toepassing was. Hij besloot de teleurstelling niet te riskeren en het niet te proberen. Hij pakte een stoel, al begreep hij niet hoe hij dat kon als geest, en ging zitten, op een armlengte afstand van Mary. Hij bekeek haar urenlang, simpelweg omdat hij dat eindelijk weer kon.

Hoofdstuk 18

12 juli 1996

Mary legde haar hand op die van John terwijl hij de sleutel in het slot van de winkel om probeerde te draaien. Hij stopte waar hij mee bezig was en keek haar aan. ‘Wat is er?’ vroeg hij bezorgd.

Ze bleef even stil en keek hem in zijn ogen. Het bezorgde John een onprettig gevoel, omdat hij wist dat Mary iets van plan was. ‘Laten we…’ zei ze, en ze pauzeerde even terwijl ze om zich heen keek alsof niemand mocht zien wat ze aan het doen waren. Met een onzekere blik in haar ogen stelde ze voor: ‘Wat als we vandaag de winkel niet opendoen?’

John aarzelde even, vroeg zich af of hij het wel goed verstaan had. ‘Niet open?’ antwoordde hij verbaasd. ‘Maar dat kan toch helemaal niet? Het is vrijdag!’

‘Het is onze winkel,’ zei Mary steels. ‘Wanneer hebben wij voor het laatst echt iets leuks gedaan, John? Jij en ik samen, zonder klanten, zonder winkel, zonder verplichtingen?’

Hij moest haar het antwoord schuldig blijven. Hij haalde de sleutel uit het slot en draaide zich naar haar toe. ‘Je meent het echt, hè?’

Ze knikte. ‘Ik houd van de winkel, van bloemen, van werken, echt, maar heb jij soms niet het idee dat het leven aan ons voorbijtrekt? Dat we straks, als we oud en grijs zijn, alle leuke dingen hebben gemist?’

John keek naar het grijzende haar van zijn vrouw en er verscheen een glimlach op zijn gezicht.

Mary gaf hem een stomp tegen zijn schouder. ‘Ik meen het. Heb jij dat dan niet?’

Daar moest hij oprecht even over nadenken. Hij had willen antwoorden dat hij hetzelfde gevoel had, maar de waarheid was dat hij zich er helemaal niet in herkende. Sinds zij in zijn leven was gekomen had hij zich gelukkig en compleet gevoeld, het gevoel dat er iets ontbrak had hij niet. ‘Weet je, Mary,’ zei hij voorzichtig, ‘het maakt me eigenlijk niet zoveel uit wat we doen samen, want zolang jij in m’n buurt bent, heb ik alles wat ik om me heen wil hebben.’

Ze glimlachte. ‘Je bent een schat. Een saaie schat, maar een schat ben je. Kom,’ gebaarde ze, terwijl ze de sleutel uit Johns handen pakte en het slot naar de winkel opendraaide.

John keek verbaasd. ‘Maar ik dacht dat je…’

Ze onderbrak hem: ‘De winkel gaat op slot vandaag, maar het is wel zo netjes om dat aan de klanten te laten weten.’

In haar mooie handschrift schreef Mary wat op een briefje en dat plakte ze tegen de winkelruit. Daarna keek ze triomfantelijk naar haar man. ‘Zo, ben je er klaar voor?’

John voelde zich allesbehalve triomfantelijk. Hij hield er niet van als de dag anders verliep dan gepland, maar Mary had het in haar hoofd, dus het zou gebeuren, zoveel wist hij inmiddels ook.

‘Hé, waar gaat dat heen?’ klonk het van om de hoek toen John de deur achter zich in het slot trok. Het was een stem die hij uit duizenden zou herkennen. Wendy. Hij had haar al kort gezien toen hij Mary voor het eerst ontmoette, toen ze op weg was naar de begrafenis van haar moeder. Ze was al klant van Flower Power geweest toen John nog niet eens in beeld was. Ze was de beheerder van een aantal panden in de wijk en had in die functie jaren geleden voor Mary een huurcontract voor het winkelpand geregeld tegen een meer dan fatsoenlijke prijs, om vervolgens een van haar beste klanten te worden.

‘We sluiten de winkel vandaag, Wendy,’ zei Mary met een grote glimlach.

Die knikte goedkeurend. ‘En gelijk heb je. Het is een prachtige dag. Geniet ervan, jongelui!’

Dat maakte John aan het lachen, want zoveel ouder was Wendy nou ook weer niet. ‘En nu?’ vroeg hij aan Mary.

‘Nu gaan we waar onze benen ons brengen,’ antwoordde Mary, waarna ze haar arm door de zijne stak.

Het kostte John grote moeite om zich over te geven aan haar spontaniteit, maar hij had het zelf gezegd: het kon hem niet schelen waar ze waren, als zij maar bij hem was.

De benen brachten hen uiteindelijk naar het park. Ze kwamen daar geregeld op zondagen, maar nu, op een zonnige vrijdag, bleek het er minstens zo druk, zo niet drukker. John en Mary namen plaats op een bankje vlak bij de vijver en het grote picknickveld, onder een grote boom met heerlijk ruikende roze bloesem. Ze zaten en keken, maar zeiden een tijdlang geen woord, kijkend naar een vrolijke wereld vol kinderen, volwassenen en dieren die zich om hen heen bevond, alsof zij daar als toeschouwers geen deel van uitmaakten. Mary legde haar hoofd op Johns schouder, en hij wist niet goed of dat een teken van geluk of verdriet was.

Hij wilde het haar vragen, maar het moment werd ruw verstoord door een bal die met een harde knal het bankje raakte en vervolgens op de grond viel tussen Johns voeten. De twee zaten stijf van de schrik op de bank en John keek om zich heen, tot hij achter een boom een jongetje voorzichtig zag gluren.

‘Zeg,’ riep John. ‘Hé, jij daar!’

Het jongetje probeerde zich nog verder te verschuilen achter een boom die helaas niet zo breed was als hijzelf.

‘Is dit jouw bal?’

Het jongetje knikte voorzichtig.

‘Kom eens eventjes hier?’

Aarzelend liep hij in de richting van John en Mary.

‘John, laat nou maar,’ zei Mary, maar John negeerde haar. Met knikkende knieën stond de kleine jongen voor hem.

‘Dus dit is jouw bal?’ vroeg hij nogmaals.

Het jongetje knikte.

‘En jij hebt die zojuist met een rotgang bijna tegen ons aan geschoten?’

De jongen knikte wederom. Zijn onderlip begon te trillen.

‘Ik vind het dapper dat je het toegeeft, jongen,’ zei John, ‘maar ik kan je helaas niet zomaar je bal teruggeven.’

De jongen keek verschrikt, eerst naar John en daarna naar Mary, die ook niet goed leek te weten wat ze hiermee aan moest.

Toen verscheen er een glimlach op Johns gezicht. ‘Je moet hem namelijk terugverdienen!’ Hij sprong op en rende met de bal in zijn handen het veld in.

De jongen keek Mary aan, met grote vraagtekens in zijn ogen. ‘Kom op, ga je bal pakken dan,’ hoorde John haar tegen hem zeggen. Toen pas begreep de kleine jongen dat hij niet in de problemen zat en rende hij op John af, die de bal telkens net een stukje te ver van hem af hield. Wat begon met rennen, springen, gooien en hooghouden, veranderde al snel in een potje voetbal, waarin John vrij snel zijn meerdere moest erkennen in het jongetje.

Tien minuten later was John buiten adem. Zoveel beweging was hij totaal niet gewend. Hij gaf de bal terug aan de jongen en strompelde terug naar Mary, die met een grote glimlach naar hem keek. John plofte op het bankje en had een flink aantal minuten nodig om op adem te komen.

‘Dit dus,’ zei Mary vanuit het niets.

John keek haar vragend aan. ‘Wat bedoel je?’

‘Dit is dus wat ik mis, wat we missen. Ontspanning, leuke dingen doen, genieten van een gewone vrijdagmorgen. Jou zien lachen, de mensen om ons heen. Ik heb het gevoel dat het allemaal aan ons voorbijtrekt. Het wordt tijd dat we daarover nadenken.’

‘Hoe bedoel je, nadenken? Waarover?’

‘Ik denk dat je dat wel weet.’ Ze staarde in de verte naar iets wat er niet leek te zijn.

John was even stil, want hij wist dat Mary gelijk had.

Het was het jaar waarin ze de deur van hun bloemenwinkel definitief achter zich dichttrokken.

Hoofdstuk 19

21 mei 2009

Zo druk en chaotisch als de dag was geweest dat John letterlijk met de deur in huis Mary’s leven kwam binnenvallen, zo rustig was de week die volgde. John ontdekte al snel dat Mary, net als hij, weinig behoefte had om de deur uit te gaan. Hoewel hij met haar te doen had, was hij opgelucht dat ze nergens heen wilde, aangezien het hem tijd gaf haar te observeren en alles wat er gebeurde op zich in te laten werken.

Zijn hoofd zat vol warrige gedachten, met als hoofdvraag het waarom van dit alles. Tucker had verteld dat dit Johns versie van gerechtigheid was, dus het was overduidelijk een soort les. Maar waarom? Hij begreep nog altijd niet hoe dit precies werkte. Hij was niet dood, dat had hij inmiddels wel door. Dat had Tucker ook gezegd, maar die had wel meer gezegd, en John had geen idee of die dingen letterlijk waren bedoeld of slechts een cryptisch raadsel waren. Dat hij daadwerkelijk nog leefde had hij aan den lijve ondervonden toen hij honger had, naar de wc moest en behoefte had aan slaap. Geesten poepen niet, hoorde hij zichzelf denken. Uiteraard was John zich bewust van het feit dat de dingen die hij in zijn leven over geesten had gezien en gelezen niets waren dan hersenspinsels van schrijvers, maar toch was zijn behoefte om te eten een feit, wat betekende dat hij niet dood was.

Uiteraard waren er nog talloze andere aanwijzingen die hem zeker maakten van zijn leven. Zo kon hij op een stoel gaan zitten, de trap op lopen, de televisie aanzetten en radio luisteren. Maar wat hij ook deed, Mary merkte er niets van, simpelweg omdat ze dat niet kon. Aanvankelijk begreep John niet hoe dat kon. Immers, als hij een stoel verplaatste, dan moest Mary dat toch ook merken?

Het kostte hem drie dagen om te ontdekken dat Mary niet kon zien dat hij voorwerpen verplaatste, omdat ze in haar ogen helemaal niet verplaatst waren. John ontdekte deze waarheid op pijnlijke wijze toen hij trachtte op een stoel te gaan zitten aan de eettafel; de stoel die hij dagen eerder had verplaatst om Mary te bekijken. Zodra hij probeerde erop te gaan zitten, viel hij er dwars doorheen en bezeerde zijn oude achterwerk behoorlijk.

Nadat hij weer was opgekrabbeld, in de war door wat er zojuist was gebeurd, bewoog hij zijn hand heen en weer bij de stoel. Zijn hand ging feilloos door de leuning heen. Eindelijk een beetje geestig gedrag, was zijn eerste gedachte, maar hij begreep het nog steeds niet. Waarom kon hij deze stoel niet aanraken? Dat was dagen geleden geen probleem geweest, toch? Hij had hem zelf neergezet… precies daar.

John dacht dat hij gek werd, aangezien hij naast de stoel waar Mary in had gezeten, de houten stoel zag staan die hij daar drie dagen geleden neer had gezet. Hij liep erheen en bekeek het meubelstuk. Het zag eruit als dezelfde stoel, en het was waarschijnlijk ook dezelfde stoel. Maar hoe konden er ineens twee van zijn? Hij schopte voorzichtig met zijn linkerbeen tegen de poot en vergat daarbij dat zijn enkel nog steeds niet volledig was geheeld. De stekende pijn vertelde hem dat hij deze stoel in ieder geval kon aanraken. Hoewel hij de stoel zojuist met succes had geschopt, wist hij nog steeds niet zeker hoe dit nu helemaal werkte. Dus met zijn ogen dicht en met zijn handen tot vuisten gebald telde hij tot drie en liet zichzelf op de stoel vallen. Het moest een ontzettend grappig gezicht zijn geweest, realiseerde John zich, en als Mary het had kunnen zien, zou ze ongetwijfeld heel hard hebben gelachen. Helaas kon Mary het niet zien, en terwijl John zijn stoelavontuur beleefde was zij bezig in de keuken, worstelend met de deur van het keukenkastje, die bijna op haar hoofd was gevallen.

In de dagen die volgden begon John te begrijpen hoe de vork in de steel zat. Hij was niet dood; hij was springlevend, in zijn eigen wereld, een wereld waarmee hij in contact stond. Maar tegelijkertijd zag hij Mary’s wereld, alsof die over zijn eigen wereld werd geprojecteerd. Dus als hij een stoel bewoog, dan bewoog hij die in zijn eigen wereld, maar tegelijkertijd bleef er een versie staan die hij niet kon aanraken. De versie in Mary’s wereld. Als hij de tv of radio aanzette, kon hij die zien en horen, terwijl de apparaten in Mary’s wereld nog altijd uitgeschakeld waren.

Hij was dood in haar ogen en zij was dood in zijn ogen. Ze waren geesten voor elkaar, waarbij John het voordeel – of nadeel – had dat hij haar kon zien. Het vreemde van dit alles was dat het leven helemaal niet zoveel veranderde met Mary in de buurt. Niet omdat haar aanwezigheid geen invloed had, maar omdat bleek dat John nooit echt afscheid van haar had genomen. Dat was uiteraard geen gigantische verrassing voor hem, aangezien hij elke avond een denkbeeldig diner met haar had, maar nu ze er daadwerkelijk was, zij het in een andere vorm, ontdekte hij pas hoe groot haar rol nog altijd was in zijn dagelijkse leven. Hij groette haar als hij opstond, hij zei haar gedag wanneer hij het huis verliet en hij zei welterusten als hij naar bed ging. Zo had hij het de afgelopen vijf jaar gedaan en nu ze daadwerkelijk aanwezig was, maar niet reageerde, stond er een vergrootglas op hoe vaak hij met haar praatte en hoe pijnlijk aanwezig haar stilte was.

Toch was er wel iets veranderd sinds de komst van Mary. Want hoewel John zijn vrouw nog altijd welterusten wenste wanneer ze naar bed ging, ging hij zelf niet daadwerkelijk naar bed. Zelfs al kon ze het niet voelen of zien, de gedachte dat hij bij haar in bed zou kruipen zonder dat ze het wist, bezorgde hem koude rillingen. Alsof hij haar privacy schond, zelfs al waren ze, op een bepaalde manier, nog steeds getrouwd. Ze kon hem niet voelen, maar in bepaalde situaties had hij gemerkt dat ze wel kon merken dat hij er was, of in ieder geval merken dat er iets was. Ze had in ieder geval gemerkt dat er iets was toen hij haar naar haar (en zijn) huis volgde, zelfs zo erg dat ze over haar schouder had gekeken. Toch had John nog niet ontdekt wat de crux was. Hij herinnerde zich dat Tucker had gezegd dat hij kon doen wat hij moest doen wanneer dat nodig was, en misschien was het feit dat zij hem opmerkte de enige manier om alles in beweging te zetten. Maar ook als dat zo zou zijn, vond hij naast haar in bed kruipen alsof er nooit iets was gebeurd een beetje te veel van het goede. In plaats daarvan had hij de hele week in de comfortabele stoel geslapen, die een stuk minder comfortabel bleek als je erin slapen moest.

Er was nog iets wat hetzelfde was gebleven maar tegelijkertijd anders: de diners met Mary. Vanaf het moment dat ze was overleden, had hij de tafel nog steeds gedekt voor twee personen, en tot zijn grote verbazing en verdriet deed Mary hetzelfde. Waar John al die jaren aan zijn eigen kant van de tafel was blijven zitten, deed Mary hetzelfde. Als ze tegelijk aan tafel zaten, was het alsof alles was zoals het altijd was geweest. Dat was overigens niet zonder uitdaging, aangezien John natuurlijk wel moest eten. Dus moest hij allerhande capriolen uithalen om niet dwars door Mary heen te lopen in de keuken wanneer zij haar eigen eten klaarmaakte, dat over het algemeen een stuk smakelijker was dan Johns brood en melk. Hij wist wel dat hij niet om Mary heen hoefde, maar hij vond dat het feit dat hij dwars door haar heen kon lopen niet betekende dat hij dat ook daadwerkelijk moest doen. Hij was blij om te zien dat Mary, al was ze verdrietig, nog altijd de energie en wilskracht had om eten voor zichzelf te maken, en hij voelde zich schuldig dat hij die moeite nooit meer nam.

Wat John prachtig vond, was te merken dat Mary tegen hem sprak tijdens het eten, zoals hij al die tijd tegen haar had gesproken. Uiteraard was dat iets verdrietigs, maar hoewel John enorm met haar te doen had, gaf het hem een goed gevoel dat hij gemist werd. Hun gesprekken gaven hem troost. Want op het moment dat Mary stopte met praten en hij begon aan zijn antwoord, kon hij de realiteit niet onderscheiden van de fantasie. Het was het enige moment waarop het er niet toe deed of Mary hem kon zien of niet, omdat het moment tussen de antwoorden van John en Mary precies hetzelfde was geweest als geen van hen tweeën een geest was geweest.

Ergens midden in het gesprek liet Mary vaak vallen dat ze eenzaam was en dat ze hem miste, waarbij ze haar handen op tafel legde zodat hij ze vast kon pakken. Hij vertelde haar dan dat hij haar miste, legde zijn handen in (of door) die van haar en keek haar recht in de ogen, hopend op een teken dat zij hem kon zien of voelen. Een teken dat hij nooit kreeg. Zo zaten ze dan uren, beiden vasthoudend aan een geest uit het verleden.

Zo ging het ongeveer een week nadat Mary was verschenen. Ze stonden op, ze aten, de dag ging voorbij, ze aten wederom en gingen slapen. Mary in het bed, John in de stoel. Een week geleden had hij Tucker gevraagd hoe en wanneer dit zou eindigen, maar nu, nadat hij acht dagen en zeven nachten in deze bizarre fantasie had geleefd, wilde hij niet meer aan een einde denken. Hoewel John in zijn achterhoofd wel degelijk wist dat het niet voor altijd zo door kon gaan, deed hij zijn best om dit te negeren. Het voelde als onder de douche stappen om even je hoofdpijn niet te voelen, waarbij je jezelf wijsmaakt dat je voor eeuwig onder de douche kunt blijven staan. Nog één dag, dacht hij dan, nog één! Terwijl hij geen idee had wat hij morgen anders zou moeten doen als hij het wilde laten eindigen.

Uiteindelijk brak het moment aan waarop het sociale isolement even moest worden doorbroken. Tijd om boodschappen te doen. Uiteraard kon hij Mary’s gedachten niet lezen, hoe graag hij dat ook had gewild, maar hij wist dat boodschappen vandaag op de planning stonden, aangezien hij haar druk had zien werken aan een boodschappenlijstje. Dat had John enigszins verbaasd, aangezien Mary vroeger nooit iets opschreef. Zij was het type dat de supermarkt in ging en op de automatische piloot alles pakte wat ze nodig had, zonder ook maar iets te vergeten, zelfs niet de dingen die ze niet elke week nodig had. Maar dat was niet de vrouw die John nu zag zitten aan de andere kant van de tafel, haar hoofd ondersteunend met een hand en een pen in de andere hand, diep peinzend over de dingen die ze nodig had.

Maar Mary schreef niet alleen de boodschappen op, John zag dat ze ook andere dingen op haar papiertje krabbelde. Het leek er even op alsof ze de boodschappen bij elkaar optelde, maar ze had zo weinig op haar lijstje staan dat dit de moeite nauwelijks zou lonen. Bovendien, waarom zou ze haar boodschappen zo uitvoerig berekenen? In haar wereld was John overleden, en met zijn levensverzekering zou haar leven financieel heel makkelijk moeten zijn.

Plotseling stond Mary op en liep naar de keuken. Ze opende het gammele kastdeurtje. Het was een van die gebreken die steeds erger werden en Mary wist zeker dat het deurtje ieder moment uit zijn scharnier zou vallen.

‘O, John,’ mompelde ze. ‘Waarom heb je dit nou niet gerepareerd? Ik heb je hier nodig!’

Zulke uitspraken braken Johns hart, want hij wist precies hoe ze zich voelde. Terwijl ze haar best deed om te voorkomen dat het kastdeurtje definitief losliet, reikte ze met haar arm in het kastje en haalde het oude kleine suikerpotje eruit. John herkende dat potje maar al te goed. Mary had het ooit gevonden op een vlooienmarkt en moest en zou het kopen. John was daarop tegen, niet alleen omdat hij niet hield van tweedehandsspullen, maar vooral omdat hij niet hield van tweedehandsspullen waar voedsel in werd bewaard. Hij wist niet precies waarom, maar hij vond dat gewoon niet fris. Maar zelfs toen, aan het begin van hun relatie, had John ontdekt dat hoe sterk zijn wil ook was, hij niets kon beginnen tegen Mary op een missie.

Jaren later pas gaf hij schoorvoetend toe dat het eigenlijk best een mooi suikerpotje was. Het was handgeschilderd in limoengroen, geel en roze en had een schattig dekseltje dat net genoeg uitsparing had voor het lepeltje dat erdoorheen stak. John had het potje in geen jaren aangeraakt, ten eerste omdat hij nergens suiker bij gebruikte en ten tweede omdat hij bang was het te laten vallen, hetgeen hij zichzelf nooit zou hebben vergeven.

Toen hij haar vroeg waarom het potje zo belangrijk voor haar was, gaf ze als antwoord dat het een verhaal had, misschien wel tientallen verhalen. Het had dingen meegemaakt. Dingen waarvan ze geen weet had. Ze zei altijd dat het potje een ziel had.

Maar toen Mary het potje neerzette op het aanrecht en het deksel eraf tilde, zag John dat het naast een ziel nog iets anders bevatte: geld! Hij begreep direct wat dat betekende. Al die jaren had Mary hetzelfde gedaan als hij: zorgen voor een appeltje voor de dorst. Heel veel kon het echter niet zijn, want het potje was bijna leeg. Mary twijfelde even, pakte wat geld en zette het terug in de kast. Vervolgens pakte ze in één beweging haar jas en liep naar de deur om naar buiten te gaan. Verrast door de abrupte aard van haar vertrek besefte John dat hij haar snel moest volgen, en hij vergat even dat zijn enkel nog altijd niet was genezen. Hij probeerde zich daaroverheen te zetten en haar zo snel mogelijk te volgen. Hij had weliswaar een idee waar ze heen ging, maar hij wilde geen risico nemen, dus pakte hij zijn jas en keek over zijn schouder om te controleren of hij in zijn haast niets vergat. Terwijl hij dit deed, liep hij op volle snelheid achter Mary aan naar buiten, maar klapte enkele tellen later hard tegen de grond. Verdorie, geestdeur! dacht hij. Hij masseerde de pijn in zijn schouder weg, stond op en opende de echte deur. Toen de deur achter hem in het slot viel, ditmaal met de sleutels in zijn zak, wist hij zeker dat dit het einde was van hun vredige avontuur samen.

John volgde Mary door de stromende regen en het voelde letterlijk alsof hij in een andere wereld was gestapt. Die gedachte was uiteraard niet heel vreemd, want afgelopen week was het weer prachtig geweest en nu voelde het ineens alsof de herfst zijn intrede had gedaan. De lucht was grijs en somber en er was geen mens te bekennen. Maar zoals John niet gaf om lekker weer, gaf hij ook niet meer om regen, en aangezien Mary geen paraplu bij zich had, vond hij dat hij die evenmin nodig had. Zijn gedachten dwaalden af, hij dacht aan hoe simpel en overzichtelijk zijn leven een week geleden nog was geweest en dat hij nu niets meer van zijn bestaan of dat van Mary begreep. En dat allemaal door een gek die beweerde dat hij God was, wat John ondanks alles weigerde te geloven. Als God echt bestond, als de hemel en alles daaromheen echt bestonden, zou dat betekenen dat er iemand schuld had. Voor John was het veel eenvoudiger om te geloven dat het leven een kansspel is: je wint of je verliest. Mary en hij hadden verloren, want dat had het lot bepaald.

Terwijl hij Mary volgde, zorgvuldig om de plassen regenwater heen manoeuvrerend, zag hij hoe ingenieus de nieuwe realiteit in elkaar stak. In de week waarin hij Mary had geobserveerd in hun huis had hij ontdekt hoe de vork in de steel zat, dat Mary’s wereld over zijn eigen wereld was geprojecteerd en dat hij daarmee wonderwel om kon gaan, hoewel hij er even aan moest wennen. Maar nu hij buiten was en de wereld zoveel groter, nam ook de complexiteit toe. Afgezien van het feit dat hij dood was in Mary’s wereld en Mary dood was in de zijne, had hij gemerkt dat de twee werelden niet veel van elkaar verschilden. Als de zon scheen in Johns wereld, scheen hij ook in die van Mary. Fijn, want het was allemaal al verwarrend genoeg. Hij realiseerde zich bijvoorbeeld, terwijl hij voorzichtig liep om te voorkomen dat zijn broek doorweekt raakte, dat het heel goed mogelijk was dat hij geestplassen ontweek die hij wel kon zien omdat ze in Mary’s wereld bestonden, maar dat die er voor hem helemaal niet waren.

Hij wist bar weinig van alles wat er gebeurde. Hij keek naar de lucht, zag de intens grauwe wolken die de wereld overdekten met droefheid en bedacht zich dat er van alles veranderd zou kunnen zijn zonder dat hij het wist. Wat als het niet alleen maar als herfst voelde, maar het ook daadwerkelijk herfst was? Hij zag niet in hoe en waarom dit gebeurd zou moeten zijn, maar de afgelopen weken waren er beslist vreemdere dingen gebeurd.

Het baarde John zorgen hoe weinig hij wist over zijn eigen situatie en over welke verrassingen hem nog te wachten stonden. Hij was uitzinnig dat Mary weer in zijn leven was, maar het deed hem pijn haar zo verdrietig te zien, zelfs al zou dit slechts een illusie of een projectie zijn. Diep vanbinnen wilde John zijn eenvoudige leven terug, het leven dat weliswaar verdrietig was, maar ook overzichtelijk en voorspelbaar. Hij had echter niet het idee dat hij enige vorm van controle had over deze situatie, en daarbij wist hij helemaal niet waar het toe zou leiden en waar het zou eindigen.

Verzonken in gedachten merkte hij net op tijd dat hij Mary bijna uit het oog verloor omdat ze onverwacht een afslag nam, eentje die John in geen jaren meer had genomen. Even twijfelde hij of hij zijn achtervolging zou opgeven en terug naar huis zou gaan, want hij wist waarheen de wandeling hen zou brengen, maar zoals vaker won zijn nieuwsgierigheid het van zijn weerzin. Voor het eerst in vijf jaar liep John langzaam onder de poort door. De poort waarvan hij had gezworen dat hij er alleen nog onderdoor zou gaan na zijn laatste dag op aarde. De dag waarop hij naast Mary begraven zou worden.

Het kerkhof. Als er één plek was waar John niet wilde zijn, was het hier. Het was het kerkhof waar hij, samen met een klein groepje mensen, Mary te rusten had gelegd, het kerkhof waar hij zowel zijn eigen familieleden onder ogen had moeten zien als die van Mary, maar vooral de onvermijdelijke waarheid dat het allemaal voorbij was. Sinds die dag was hij niet teruggegaan. Met iedere stap die hij zette op de grond van deze verschrikkelijke plek, flitsten er beelden voor zijn ogen van die dag hij zo wanhopig had proberen te vergeten. Hij zag de groep verdrietige mensen die rond Mary’s graf stonden en die af en toe naar hem keken met een vertwijfelde blik. John had wel begrepen waarom ze zo naar hem keken. Immers, een paar dagen daarvoor had niemand enig idee gehad dat Mary ziek was, en nu moesten ze afscheid van haar nemen. Dit gebrek aan communicatie was natuurlijk net zozeer te wijten aan Mary als aan John, maar zoals John het makkelijker had gevonden om de dokters de schuld te geven van haar dood in plaats van de kanker, vonden haar vrienden en familie het eenvoudiger om John de schuld te geven dan Mary. Over de doden immers niets dan goeds.

Zijn reputatie op de dag van Mary’s begrafenis had hem niet minder kunnen schelen. Die dag was er maar één ding in zijn gedachten: Mary en de verschrikkelijke tragedie waar haar begrafenis de apotheose van was. Hoezeer hij ook medelijden had met iedereen die het niet had zien aankomen, het meeste medelijden had hij met zichzelf, omdat hij het wél had zien aankomen. Weer een voetstap, weer een flashback en hij zag hoe men haar kist liet zakken en er aarde op werd gegooid. Hij wist dat hij had moeten deelnemen aan dit alles. Hij had een van de mensen moeten zijn die de kist droegen, hij had degene moeten zijn die de eerste schep zand in de kist schepte en hij had moeten spreken. Maar John hield zich afzijdig. De enige reden dat hij aanwezig was bij deze pijnlijk zwarte ceremonie, was dat hij het gevoel had dat hij het Mary verschuldigd was. Hij was er in lichaam, maar niet in geest.

In zijn korte flitsen uit het verleden zag hij hoe de huilende mensen Mary vaarwel zeiden. Ze liepen weg. Stapten in hun auto’s en verdwenen voor altijd. Een voor een, totdat er niemand meer was om vaarwel te zeggen. Niemand behalve John. John moest nog vaarwel zeggen, maar hij kon het niet, zoals hij het ook niet had gekund in het ziekenhuis. Het idee dat hij weg moest lopen en Mary in haar eentje achter moest laten in de kilte van de aarde, kon hij simpelweg niet verdragen. Het was dan ook op die plek en om die reden dat John besloot dat dit vaarwel definitief zou zijn. Hij besloot dat wie er ook in die kist lag, zij het niet was. Het was simpelweg de lege huls van een prachtig cadeau dat het leven hem ooit had gegeven en nu had ontnomen. Hij besloot dat hij de herinnering aan haar mee naar huis zou nemen en nooit meer terug zou keren op deze plek, zolang hij leefde.

Met een schok zag hij dat hij niet alleen voor Mary’s graf had gestaan in zijn herinnering, maar er nu ook in werkelijkheid stond. Hij vroeg zich af waarom Mary haar eigen graf zou bezoeken en, vreemder nog, als het haar eigen graf was, hoe kon ze dat dan zien? Terwijl ze beiden voor het graf stonden en niets zeiden, werd John zich langzaam bewust van een realiteit die hij had geprobeerd te negeren. Uiteraard bezocht Mary haar eigen graf niet – ze bezocht het zijne. De ironie van deze toevalligheid, twee realiteiten, één graf, zou te veel zijn geweest voor John, ware het niet dat het helemaal geen toeval was.

John had niet alleen een peperdure levensverzekering afgesloten om er zeker van te zijn dat Mary zich geen zorgen hoefde te maken na zijn dood, hij had ook zijn hele begrafenis al geregeld en de precieze plek van zijn graf bepaald. Hij had de mooiste plek op het kerkhof uitgezocht, onder een prachtige boom met roze bloesems. Toen John haar over deze plek had verteld, begreep Mary niet waarom hij zo’n mooie plek had uitgekozen. Want John mocht dan een dromer zijn, hij was ook een realist. ‘Als je dood bent, ben je dood. Meer is er niet,’ had hij altijd geroepen. Dus het was niet logisch dat hij zo’n prachtige locatie had uitgezocht. Maar wat Mary niet wist, of zich in ieder geval niet realiseerde, was dat John deze plek niet had uitgezocht omdat hij dacht dat hij daar fijn zou liggen, maar omdat hij wist dat Mary daar veel tijd zou doorbrengen. Hij wilde goed voor haar zorgen, zelfs ver na zijn dood.

Voor John had het echter allemaal wat anders uitgepakt, en de prachtige plek die voor hem bedoeld was geweest, was nu (in zijn wereld althans) de laatste rustplaats van Mary. Het was nog een reden dat John de begraafplaats nooit meer wilde bezoeken. Op de dag van haar begrafenis, toen de boom zijn prachtige bloesems liet vallen op het graf van Mary, wist hij dat hij hier nooit meer kon komen zonder herinnerd te worden aan hoe oneerlijk het allemaal was. In zijn gedachten zou altijd zijn naam op de grafsteen staan en Mary die aan zijn graf stond en dat het andersom was, kon hij niet verdragen. Zij verdiende het niet om te sterven.

Dus ja, deze situatie was inderdaad beter. Mary stond voor zijn graf. Hoewel het niet bepaald de mooiste dag van het jaar was, was het gestopt met regenen en liet de zon zich voorzichtig zien door de wolken, het licht gebroken in duizenden schitteringen door de takken van de boom. De wind vond zijn weg door dezelfde takken en plukte de roze bloesems om deze vervolgens door de lucht te laten dwarrelen, elk blaadje met een eigen bestemming, een eigen reis.

Het was bijna precies zoals John het zich had voorgesteld, met één groot verschil. Hij zag zijn naam niet op de grafsteen staan, maar nog steeds die van haar. Hij wist dat hij kon zien wat Mary zag, en waarschijnlijk, als hij het echt probeerde, zou hij zijn eigen naam erdoorheen kunnen zien, maar op dit moment stonden zijn hersenen hem dat niet toe. Zelfs al had hij het graag anders gezien, de afgelopen vijf jaar hadden zijn hersenen maar al te bewust gemaakt van het feit dat Mary was gestorven, niet hij, en dus zag hij haar naam op de steen. John begreep nog steeds niet waarom dit allemaal gebeurde. Hij had gezegd dat hij gerechtigheid wilde, maar hoe kon je dit gerechtigheid noemen? In plaats van alleen om te hoeven gaan met zijn eigen verdriet, moest hij het verdriet van Mary daar nog eens bij verwerken.

Tegelijkertijd was dit een van de dingen die hem verraste. Uiteraard had hij altijd geweten dat zijn dood Mary verdrietig zou maken. Maar om haar zo te zien, zo verdrietig en verloren? Dat had hij nooit verwacht. Mary was altijd zo’ vrolijk geweest, met fonkelende ogen en goudblonde haren, ze zag er altijd perfect uit. Hoewel John nooit iets negatiefs over zijn vrouw zou zeggen, kon zelfs hij zien dat ze er op dit moment verre van perfect uitzag. Haar ogen hadden dezelfde holle blik als toen hij haar voor het eerst zag in de bloemenwinkel, een week geleden. En haar prachtige goudblonde lokken waren nu dof en grijs. Uiteraard waren ze al grijs geweest toen Mary (of in dit geval John) nog in leven was, maar ze hadden hun magische gloed verloren. Ook verdwenen was haar vrolijkheid, haar gewoonte om felgekleurde kleding te dragen en, voor zover John kon zien, haar charme.

Het benadrukte voor John hoe fout het van hem was geweest om zich getroost te voelen door het feit dat hij de afgelopen week met Mary had mogen doorbrengen, omdat hem in zijn eigen troost volledig ontgaan was hoe verdrietig en verloren Mary was. Hij keek naar haar gezicht, dat grauw, gerimpeld en desolaat was, en voelde zich verschrikkelijk. Hoe kon hij dit niet hebben gezien? Dat hád hij natuurlijk wel, hij had de treurigheid wel opgemerkt, maar op de een of andere manier had zijn euforie om het terughebben van Mary hem verblind, zelfs al was de manier waarop hij haar terug had gekregen bizar en verknipt. Het had hem minder vatbaar gemaakt voor haar verdriet en meer voor zijn eigen opluchting. John voelde zich verschrikkelijk, en al zag hij duidelijk dat zijn dood Mary enorm veel verdriet had gedaan, hij wist nu zekerder dan ooit dat zij meer recht had om te leven dan hij. Want Mary zou haar eigen gemoedsrust nooit hebben verkozen boven zijn verdriet. Nooit!

‘Ik mis je, John,’ mompelde Mary. Er waren slechts vier woorden nodig om hen beiden te laten huilen. ‘Ik kan niet eens omschrijven hoezeer.’ Ze veegde langzaam wat tranen van haar gezicht, nutteloos, want ze werden onmiddellijk vervangen door nieuwe. ‘Het spijt me, John,’ zei ze. ‘Ik wil niet huilen, ik wil niet dat je me zo ziet. Het gaat wel goed, hoor. Tenminste, ik probeer verder te gaan.’

Mary haalde diep adem en probeerde zichzelf te herpakken, maar het lukte haar niet. ‘Weet je, het is gewoon zo ongelooflijk moeilijk. Ik probeer het leven te omarmen, ik probeer dankbaar te zijn voor het feit dat ik nog leef en voor alle tijd die we samen hebben doorgebracht. Ik wil daar echt dankbaar voor zijn. Maar… o God, ik mis je zo. Je was mijn beste vriend, mijn beste vriend in de hele wereld, en nu ben je er niet meer! Ik weet gewoon niet… Ik weet niet wat ik hier nog doe zonder jou. Ik wil hier niet zijn. Ik wil hier niet zijn zonder jou.’

Mary kon de zondvloed aan tranen niet meer stoppen. Vanuit het niets gooide ze er een schreeuw uit. Zo hard als ze kon, uit het diepst van haar hart schreeuwde ze hartverscheurend. Ze schreeuwde de schreeuw van iemand die van een rots viel, zonder de angst, maar met tienmaal de pijn. En nog een keer.

John was zich rotgeschrokken en keek haar verbijsterd aan. Nooit eerder had hij zijn vrouw zo gezien. Sterker nog, hij had nog nooit iemand zo gezien.

‘Ik wil niet zonder jou leven,’ huilde Mary en ze sloeg haar handen voor het gezicht, leunend tegen de bloesemboom. ‘Ik… wil… niet meer… O alsjeblieft, ik… wil… niet!’ huilde ze, en ze sloeg haar vuisten tegen de boom bij ieder woord dat ze uitsprak.

Nooit eerder had John zich zo machteloos gevoeld. Hij herinnerde zich hoe hij zich had gevoeld toen Mary te horen kreeg dat ze kanker had. Hoe hij haar had willen troosten, maar het niet had gekund. Maar nu, nu ze geen idee had dat hij hier was en deze mix van verdriet, pijn en wanhoop moest doormaken, begreep John dat hij destijds helemaal niet zo machteloos was geweest. Het enige wat hij had hoeven doen om haar te troosten, was haar vasthouden. Hij had niets hoeven zeggen. En nu hij dit eindelijk begreep, was hij er niet toe in staat. Hij was zo dicht bij haar en ze had hem harder nodig dan ooit tevoren, maar John kon niets anders doen dan kijken hoe ze leed.

Langzaam maar zeker kalmeerde Mary. Ze stopte niet met huilen, maar wel met schreeuwen, en in een wanhopige poging om troost te vinden sloeg ze haar armen om de boomstam en hield deze stevig vast, alsof dit het enige was wat haar ervan kon weerhouden haar verstand te verliezen.

John kon haar verdriet niet langer aanzien. Hij liep naar de andere kant van de boom en ook hij sloeg zijn armen eromheen. Hoewel hij begreep dat hij technisch gezien niet dezelfde boom omarmde als Mary, was het gevoel van de boomschors tegen de huid van zijn handen en gezicht voldoende om hem te kalmeren.

Hij hield datgene vast dat Mary op dit moment troost gaf, en daarmee hield hij Mary vast en zij hem. Terwijl de twee verloren waren in ieder hun eigen wereld en hun eigen verdriet, blies een windvlaag een nieuwe wolk roze bloesem van de takken. De blaadjes dwarrelden in een cirkel rond de boom en rond de twee geliefden en verbonden hun twee werelden voor even in een prachtig schouwspel van de magie van de natuur. Het was een magie waar John en Mary blind voor waren.


dansencoverDit was het laatste hoofdstuk van Dansen met Herinneringen dat ik online heb gepubliceerd. Ik heb nu bijna de helft van het boek gratis gepubliceerd. Ben je nieuwsgierig hoe het verder gaat? Ik hoop dat ik je nieuwsgierig genoeg heb gemaakt om de roman aan te schaffen, dat geeft mij de tijd en ruimte om te werken aan mijn tweede roman: De Zeven Hemels van Hilda Hel.
BESTEL DE ROMAN DANSEN MET HERINNERINGEN hier en BETAAL GEEN VERZENDKOSTEN!

 

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00