Hoofdstuk 15

Vind je dit gedicht mooi?Deel het op Facebook

22 februari 1979

 ‘Mary? Ben je wakker?’ fluisterde John.

Er klonk wat dromerig gemompel van rechts, maar geen antwoord. John keek naar Mary. Ze lag met haar gezicht naar hem toe, ver weg in dromenland. Hij kon zo jaloers zijn op de manier waarop zij kon slapen, vooral als hijzelf de slaap niet kon vatten. Zoals nu. Wanneer het arsenaal aan doemscenario’s dat zijn hersenen op hem afvuurde hem wakker hield, keek hij naar Mary, en dat kalmeerde hem.

Natuurlijk kende Mary ook zorgen, maar zij kon ze beter relativeren. ‘Tenzij je zorgen ertoe leiden dat je iets aan de situatie verandert, heeft piekeren weinig zin,’ hield ze hem vaak voor. Maar hij kon het niet helpen. Zijn hersenen waren niet luchtig geprogrammeerd. De rust die hij ervoer wanneer hij naar Mary keek, was dan ook altijd van korte duur, vrijwel direct gevolgd door de angst om haar te verliezen. Hij legde zijn hand op Mary’s wang en wenste dat hij dit moment voor eeuwig stil kon zetten. Mary en hij, veilig samen in een bed in het huis waarin ze samen oud zouden worden.

Langzaam opende Mary haar ogen. John haalde zijn hand weg. Hij had haar niet daadwerkelijk wakker willen maken.

‘Hé,’ fluisterde Mary met een lieve glimlach, terwijl ze comfortabel woelde in haar dekens.

‘Hé,’ fluisterde John terug.

‘Gaat het?’ vroeg Mary. Ze kende haar man langer dan vandaag en wist dat als hij midden in de nacht wakker lag, hij ergens mee in zijn maag zat.

John zei niets en beantwoordde haar vraag met een subtiel knikje, waar hij eigenlijk zijn hoofd had moeten schudden. Mary glimlachte en pakte zijn hand met beide handen vast, om er vervolgens een kus op te geven.

‘Ik ben bang, Mary,’ mompelde hij vanuit het niets.

‘Waarvoor?’

‘Voor jou. Voor mij. Voor alles dat er nog komt.’

Het bleef even stil, waarna Mary overeind kwam en haar kussen tegen hoofdeind van het bed plaatste. ‘Maar waarom dan?’ vroeg ze oprecht, terwijl ze Johns hand opnieuw vastpakte.

John bleef op zijn rug liggen en keek Mary in haar ogen. Het voelde alsof ze over hem waakte en dat stelde hem wat gerust. ‘Ik ben zo gelukkig met jou,’ antwoordde hij.

‘Maar,’ protesteerde ze ietwat verlegen, ‘geluk is toch niet iets om bang voor te zijn? Weet je hoeveel mensen het zonder moeten stellen?’

‘Ik weet het. Maar ik weet niet wat erger is: geen geluk kennen, of geluk kennen en het vervolgens voorgoed kwijtraken.’

Mary’s glimlach veranderde in een serieuzere blik. ‘Waarom zou je dit geluk kwijtraken? Ik ga nergens heen, hoor. Jij wel?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet vandaag en hopelijk ook niet morgen. Maar ooit zal een van ons de ander moeten achterlaten. Ik kan niet met die gedachte leven.’ Het uitspreken van die woorden zorgde ervoor dat het huilen hem nader stond dan het lachen.

‘Maar jongen, toch,’ trachtte Mary hem gerust te stellen terwijl ze haar hand door zijn haren haalde, ‘daar kun je je toch niet nu al druk om maken?’

‘Doe jij dat dan nooit?’

‘Natuurlijk denk ik er weleens over na. Blij word ik er niet van, maar zo kun je toch niet leven? Die angst zorgt er juist voor dat ik er iets van wil maken met je. Genieten van alles wat we samen hebben.’

John probeerde er een krampachtige glimlach uit te persen, zonder succes. ‘Ik probeer dat ook,’ zei hij. ‘Maar als je hier naast me ligt en ik kijk naar je, dan word ik soms ineens bang. Ik weet dat we langzaam toeleven naar de fase van ons leven waarin elkaar kwijtraken een reële angst wordt. Ik wil je niet kwijt, Mary. Ik wil dit leven niet kwijt. Ik ben gelukkig met jou, we moeten nog zoveel doen en beleven.’

‘Maar waarom doen we dat dan niet?’ reageerde ze bijna verontwaardigd. John keek verbaasd op, maar voordat hij om uitleg kon vragen, ging ze al verder: ‘Blijkbaar vind je ons leven saai. Wat wil je nog doen? Parachutespringen? Een wereldreis maken? Zeg het maar.’

John schrok, dit was niet wat hij bedoelde en deze reactie had hij niet zien aankomen. ‘Ik…’ aarzelde hij.

‘Weet je wat het is,’ onderbrak ze hem. ‘Je kunt twee dingen doen, John McKenzie. Je kunt nacht in nacht uit liggen piekeren over je leven, óf je kunt die energie in iets positiefs steken. Doe wat je wilt.’

John wist niet goed wat hij hierop moest zeggen. Hij had lieve woorden verwacht, geen rake klappen. ‘Ik probeer dat echt, maar…’

‘Onzin,’ onderbrak ze hem nogmaals. ‘Een mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, weet je. Ik deel je angst, maar als je niet alles op alles zet om het maximale uit je leven te halen, dan eindig je als een verbitterde, oude kerel.’

Mary had gelijk, dat wist hij, maar hoe moest hij de daad bij het woord voegen? Hij was een piekeraar, geen doener.

‘Maar voor vanavond heb ik je probleem zo opgelost, hoor,’ zei Mary vinnig. Ze legde haar kussen terug op bed en draaide zich weg van hem. ‘Zo,’ zei ze. ‘Geen gezicht meer om over te piekeren. Tel de sproeten op mijn rug maar, dan lig je zo te slapen.’

Het maakte John aan het lachen, al wist hij niet of ze het daadwerkelijk als grapje had bedoeld. Zijn gegrinnik had echter een aanstekelijk effect op Mary.

‘Eén,’ riep hij triomfantelijk, terwijl hij met zijn vinger op een sproetje drukte. ‘Twee,’ terwijl hij zijn vinger in haar zij porde. Mary kon haar lachen niet inhouden en een paar seconden later rolden de twee over het bed in een oorlog die het midden hield tussen de kieteldood en een kussengevecht.

Uitgeput plofte John uiteindelijk weer terug op bed en hij streelde door de haren van Mary, die haar hoofd op zijn borst had gelegd.

‘Ik hou van je, ouwe brombeer,’ fluisterde Mary vlak voor ze in slaap viel.

‘Ik altijd één keer meer dan jij,’ fluisterde hij terug. Hij kuste haar voorhoofd en sloot glimlachend zijn ogen.


Morgen meer…
dansencover
BESTEL DE ROMAN DANSEN MET HERINNERINGEN hier en BETAAL GEEN VERZENDKOSTEN!

Mocht je de roman tot nu toe leuk vinden, zou je dat dan willen delen op Facebook en / of Twitter met de knoppen hieronder? Dat zou ik echt enorm op prijs stellen.

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00