Hoofdstuk 12

Vind je dit gedicht mooi?Deel het op Facebook

5 september 1974

 ‘Hoe haal je het in je hoofd om je hier te vertonen?’ schreeuwde hij.

‘Maar John,’ stamelde Evan, ‘het is je…’

John liet hem niet uitspreken en gooide de deur in zijn gezicht. Van
alle scenario’s die hij voor vandaag had bedacht, was dit geen seconde
bij hem opgekomen, maar het deed hem meer dan hij had kunnen voorspellen.

Ergens begreep hij wel waarom Evan aan zijn deur was verschenen. Bewonderenswaardig was het wellicht dat Evan ervoor had gekozen om juist vandaag te proberen het verleden achter zich te laten en te gaan voor een verzoening, maar uitgerekend vandaag had John daar geen begrip voor. Niet op zijn trouwdag!

John nam een paar minuten om het voorval te laten bezinken en keek nog even door het spionnetje om te zien of Evan er misschien nog stond, maar hij zag niemand. Een blik op de klok vertelde John dat hij moest opschieten. Kwart over negen al, nog maar een uur! Hij haastte zich de trap op naar de slaapkamer, waar hij voor het eerst in lange tijd de nacht in zijn eentje had doorgebracht.

‘Moet dat echt?’ had hij aan Mary gevraagd toen ze hem vertelde dat ze de nacht voor de bruiloft bij haar ouders zou doorbrengen. Mary had liefdevol geknikt en hem uitgelegd dat veel tradities haar gestolen konden worden, maar dat dit iets was waar ze van kleins af aan van had gedroomd, iets wat ze wilde doen zoals het hoorde. John had het begrepen, maar leuk vond hij het niet. Hij had jaren alleen geslapen en daar was niets mis mee geweest, maar nu Mary deel uitmaakte van zijn leven, voelde het niet goed. Zij hoorde naast hem, voor altijd.

Terwijl John het jasje van de stoel pakte dat Mary daar voor hem overheen had gehangen, dwaalden zijn gedachten af. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als zijn ouders hier nu waren. Zijn vader zou beneden wachten in de huiskamer, terwijl zijn moeder hem hielp met zijn kleding. Ze zou zijn das strikken, de pluisjes van zijn schouders plukken en zijn haar voor de vierde keer in model brengen. Ze zou hem zeggen dat hij er zo knap uitzag en hoe trots ze op hem was, terwijl ze over zijn schouder naar hem keek in de spiegel. Beneden zou zijn vader twee handen op zijn schouders leggen. Hij zou niet veel zeggen, maar hem een blik van goedkeuring toewerpen, waarop een stoere mannenknuffel zou volgen.

John voelde zijn ogen branden. Het verraste hem, hij had al jaren niet meer aan zijn ouders gedacht, al wist hij heel goed dat het tweetal dat hij zojuist in zijn gedachten had geschetst in niets leek op de twee mensen die hem hadden grootgebracht. Even had hij overwogen of hij ze niet toch zou uitnodigen, ook omdat Mary hem dat vroeg, maar het zou de dag verpesten. Niet alleen zijn dag, maar vooral ook de mooiste dag van Mary, daar zou zijn moeder wel voor hebben gezorgd.

John vermande zich en trachtte iets te maken van de stropdas die losjes om zijn nek hing, maar met weinig succes. Hij had nooit eerder in zijn leven iets aangehad wat leek op een pak, en hij had geen idee wat hij ermee moest. De broek, het overhemd en het jasje, dat ging nog, maar de stropdas… Hij besloot om het een van de gasten te vragen bij aankomst, want een halve stropdas was geen optie. Het moest perfect zijn. Voor Mary.

Hij bekeek zichzelf nog één keer in de spiegel, niet geheel tevreden met het resultaat, maar er was geen tijd meer. Hij haastte zich naar beneden en trok de deur achter zich dicht.

‘In het park,’ had Mary gezegd toen John haar vroeg waar ze het liefst wilde trouwen. Dat het een mooie maar goedkope locatie was, was een gedachte die John niet kon onderdrukken, maar een opmerkelijke keuze vond hij het ook. Heel vaak had hij niet gefantaseerd over een huwelijk, maar als hij eraan dacht, dan had hij zich altijd voorgesteld dat het in een grote kerk zou zijn, met een altaar en prachtige glas-in-loodramen. In plaats daarvan werd het op een grasveld naast een grote waterplas. John moest lachen. Het was immers typisch Mary om dit te doen, niet in een stoffig gebouw, maar buiten, in de natuur, dicht bij haar bloemen.

Ze hadden geen mooiere dag kunnen uitkiezen. De natuur maakte zich al langzaam maar zeker op voor de herfst, de bladeren begonnen te verkleuren, maar de zon had nog geen zin om te vertrekken en straalde volop. John genoot oprecht van de omgeving terwijl hij op zijn gemak naar het park liep. Hij had zich gehaast, maar onnodig; er was nog tijd genoeg. John keek om zich heen in een poging om alles zo goed mogelijk in zich op te nemen, het heerlijke gevoel van deze dag voor altijd vast te leggen. Hij haalde diep adem om de warme herfstlucht door zijn longen te voelen stromen en draaide zich al lopend om om nog eenmaal een blik te werpen op het huis dat hij als ongetrouwde man had verlaten en waarin hij als Mary’s echtgenoot zou terugkeren.

Hij botste tegen iemand aan en draaide zich geschrokken om. ‘Sorry,’ begon hij, maar terwijl hij zich omdraaide veegde hij met zijn mouw langs het ijsje dat de man tegen wie hij was aangelopen in zijn handen had. ‘Nee!’ schreeuwde hij haast uit, met afgrijzen kijkend naar de witte vlek op zijn mouw.

‘Oei, dat spijt me,’ zei de man. ‘Wacht even!’ Hij pakte een zakdoek uit zijn broekzak, maakte deze vochtig met zijn tong en ontdeed Johns mouw van de viezigheid.

Verbijsterd stond John naar het tafereel te kijken, niet zozeer omdat de man zo behulpzaam bleek, maar vooral omdat hij ongevraagd zijn speeksel op Johns jasje stond te smeren. Die gedachte zou hij zolang hij dit jasje zou dragen, niet meer los kunnen laten.

De man vouwde zijn zakdoek weer op. ‘Zo, daar zie je niets meer van.’

John knikte, nog altijd wat verbouwereerd.

‘Ik hoop dat ik u niet beledig, maar zal ik u even helpen met uw das?’ vroeg de man vervolgens. ‘Zo kunt u echt niet naar een bruiloft!’

John keek de man verbaasd aan, hetgeen overduidelijk aan zijn gezicht viel af te lezen, want de man gaf antwoord voor John het hem had kunnen vragen. Glimlachend zei hij: ‘Een man strak in pak zoals u, in het park op een stralende donderdag, gaat naar een begrafenis of een bruiloft. En u kijkt veel te gelukkig voor iemand die naar een begrafenis gaat.’

John glimlachte. ‘Dat klopt!’ antwoordde hij, hoewel hij zich ietwat ongemakkelijk voelde nu een volslagen vreemde zijn donkerrode stropdas voor hem strikte.

‘Bent u te gast, of sta ik hier tegenover de gelukkige?’ vervolgde de man.

‘Ik?’ antwoordde John. Hij stopte even om na te denken en zei: ‘Ik ben vandaag de gelukkigste man ter wereld.’

Het vervulde hem met warmte dat hij elk woord daarvan meende. Hij had vaak stilgestaan bij deze dag, bij het bijzondere moment en vooral bij zijn missie om deze dag tot in detail zo te maken zoals Mary hem voor zich zag, maar hij was daarbij vergeten hoe gelukkig dit alles hem zelf maakte. Na vandaag was Mary voorgoed de zijne. Hij had in haar zijn droomvrouw gevonden, de vrouw met wie hij de rest van zijn leven wilde en zou delen, en dat maakte hem oprecht gelukkig, een gevoel waarmee hij weinig ervaring had.

‘U staat van top tot teen te stralen, wat heerlijk!’ zei de man, terwijl hij de laatste hand legde aan de stropdas.

John voelde zijn wangen gloeien, maar wist dat het niet iets was waarvoor hij zich hoefde te schamen.

‘Zo!’ sprak de man. ‘Helemaal netjes.’

John nam eindelijk de tijd om de man op te nemen. Oude, versleten schoenen, een minstens zo versleten spijkerbroek en een dikke trui die veel te warm was voor een dag als vandaag. De man had prachtig wit haar, met bijpassende snor en baard. Maar het opmerkelijkst van alles waren zijn ogen, die twee verschillende kleuren hadden. Het waren de ogen van een lieve oude man.

De man legde beide handen op Johns schouders en plotseling moest John denken aan zijn vader. Althans, aan wat zijn vader voor hem had moeten zijn. ‘Ik wens u ontzettend veel geluk vandaag, maar vooral in alle dagen die nog volgen. Geniet van elkaar, geniet van het leven, nu kan het!’ zei de man met plotseling een serieuze blik in zijn ogen.

John knikte, enigszins geïntimideerd door de woorden van de man. Even verwachtte hij dat de man hem zou omhelzen, zoals hij eerder die dag had gefantaseerd dat zijn vader zou doen, maar in plaats daarvan gaf de man hem nog een klopje op zijn schouder en zei: ‘En nu trouwen!’

Het was alsof John uit een roes wakker schrok, want inderdaad, hij moest gaan trouwen! ‘Ontzettend bedankt!’ zei hij tegen de man.

‘Met liefde,’ antwoordde de man, waarna hij zijn ijsje van een bankje pakte en weer verder liep.

‘Hoe heet u eigenlijk?’ riep John hem na. Hij wilde graag een naam aan deze herinnering plakken.

‘Niet belangrijk!’ riep de man achterom zonder zich om te draaien.

John keek hem na. Uiteindelijk draaide hij zich om en vervolgde zijn weg naar het feestelijke gedeelte van het park.

Honderd stoelen met honderd gasten. John stopte even om het tafereel van een afstandje te bekijken voordat ze hem zouden opmerken. Hij had zich niet eerder gerealiseerd hoeveel mensen er deel uitmaakten van zijn leven sinds hij Mary had ontmoet. Voordat hij Mary leerde kennen bestond zijn leven voornamelijk uit Evan en meneer Dekker en later Dekker junior, hoewel hij die liever niet meerekende. Maar dit… Honderd mensen die speciaal waren gekomen om John en Mary samen gelukkig te zien worden. Ongelooflijk. Hij haalde diep adem en begaf zich naar het feestgedruis.

‘Daar is-ie!’ hoorde hij een stem vanuit de verte roepen, en voor John het wist was hij omringd door een flinke verzameling lachende gezichten.

Mary’s vader pakte Johns gezicht vast en gaf hem drie dikke zoenen op zijn wangen. ‘Na vandaag ben je familie, jongen!’ sprak hij gemeend.

John voelde de emoties opborrelen. Hij zei niets, maar gaf Mary’s vader een innige omhelzing die hij blijkbaar al de hele ochtend hoog had zitten. De volgende omhelzing was voor Mary’s moeder. John had vanaf het begin een sterke band met haar ouders gehad. Dat maakte het gemis van zijn eigen ouders een stuk minder, want wat hem betrof waren dít zijn ouders.

John had verder geen familie en ook Mary’s familie was niet zo uitgebreid, maar John wist dat ze alle aanwezigen vandaag als familie beschouwde. Het waren voornamelijk klanten uit haar winkel, al moest John inmiddels hún winkel zeggen, aangezien ze er dag in, dag uit samen waren nadat John zijn baan was kwijtgeraakt.

De groep mensen om hem heen werd steeds groter. Langzaam maar zeker begon dat hem te benauwen. Het waren de klanken van de bruiloftsmuziek die hem redden. Hij draaide zich om terwijl de mensen om hem heen een opening vormden, als een hoefijzer van vriendschap dat hem in de juiste richting wees.

Daar stond ze, aan het einde van de lange rij stoelen, in een schitterende trouwjurk. Uiteraard niet wit, dat had John kunnen weten, maar prachtig felgeel met roze bloemen erop. John voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen en stond stokstijf aan de grond genageld.

‘Zullen we dan maar?’ hoorde hij de stem van Mary’s moeder, die hem bij zijn arm pakte. Hij zou haar voor altijd dankbaar zijn dat ze dit deed, want haar gebaar was op dit moment, Mary aan de arm van haar vader, John aan de arm van haar moeder, als een ultiem teken van goedkeuring.

Ze schreden naar het altaar. De zenuwen gierden door Johns lijf. Geen zenuwen van twijfel, want dat hij zijn leven wilde doorbrengen met Mary, was hem duidelijk. Maar pas nu hij naar het altaar liep, realiseerde hij zich wat deze dag betekende. Het was de dag waarop twee levens die ooit niets met elkaar te maken hadden gehad, voor altijd samen zouden smelten. Het maakte hem gelukkig.

‘Vergis je niet, John, Mary heeft het net zo getroffen als jij!’ zei haar moeder, alsof ze zijn gedachten kon lezen. Daarna gaf ze hem een kus op zijn wang en zei: ‘Hup, trouwen jij, voor een ander het doet!’

John voegde zich naast Mary bij het altaar en pakte haar hand vast. Ze hoefde hem geen glimlach toe te werpen, want haar gezicht straalde. Het deed John goed om te zien dat ze nog gelukkiger was dan hij. De ambtenaar begon zijn lange verhaal en hoewel John wist dat het belangrijk was, kon hij zijn gedachten er niet bijhouden. Het enige waar hij aan kon denken was dat er geen andere plek was waar hij liever zou zijn dan hier, een plek waar hij liefde voelde, niet alleen voor Mary, maar ook van haar, en van alle mensen om hen heen.

‘John?’ Mary tikte hem aan en hij schrok wakker uit zijn gedachten.

‘Wat is daarop uw antwoord?’ herhaalde de ambtenaar.

‘Ja!’ antwoordde John. Hij had prachtige zinnen bedacht waarmee hij had willen benadrukken hoe graag hij dit wilde, maar nu het zover was, begreep hij dat er geen woord was dat zijn gevoelens beter kon uitdrukken dan een volmondig ja.


Lees verder…
dansencover
BESTEL DE ROMAN DANSEN MET HERINNERINGEN hier en BETAAL GEEN VERZENDKOSTEN!

Mocht je de roman tot nu toe leuk vinden, zou je dat dan willen delen op Facebook en / of Twitter met de knoppen hieronder? Dat zou ik echt enorm op prijs stellen.

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00