Hoofdstuk 4 – Deel 6

Vind je dit gedicht mooi?Deel het op Facebook

hildaclaimer
Hilda kon haar ogen niet van het artikel afhouden. Overleden. Alsof het een handtekening was onder het contract dat bevestigde dat het lot inderdaad niet meer en niet minder was dan dat: het lot. Natuurlijk begreep ze wel dat dit niets met haar te maken had, maar het was dan ook geen zelfmedelijden. Het was een bewustwording van iets waar ze zich al sinds haar jeugd tegen had verzet: zelf niet kunnen bepalen waar je je leven heen stuurt. Het betekende dat alles dat haar was overkomen, onvermijdelijk was geweest. De mensen die ze had verloren, de kansen die ze had gemist, de studie die ze nooit had afgemaakt. Het had allemaal in de sterren geschreven gestaan, en dat maakte het leven wat Hilda betreft, tja, vrij nutteloos.
‘Het gaat écht niet zo lekker met je he?’
Maud had haar blijkbaar al een tijdje staan observeren. Hilda zei niets, en wierp haar een onhandig gekunstelde glimlach toe.
‘Weet je wat wij gaan doen? We gaan samen eens lekker wat eten in de stad. Veel beter dan thuis een pizza naar binnen werken!’
Hilda wist niet of Maud met de pizza doelde op Hilda’s sneue dinerplannen of die van zichzelf, maar het was vrij duidelijk dat ze geen tegenspraak duldde. Het was natuurlijk hartstikke lief van Maud, en heel eerlijk gezegd had ze haar nog nooit zo betrokken en meelevend gezien, maar het allerliefste was ze nu gewoon alleen. Dan sprong ze in de trein naar Amsterdam, naar hetzelfde Italiaanse restaurantje als op de dag dat dit vreemde avontuur begon, luisterde ze naar de piano muziek die haar aan haar moeder deed denken, en daarna mocht het afgelopen zijn. Ze wist alleen nog niet zo goed of ze ditmaal voor een piano zou kiezen of voor een tram, van beide herinneringen werd ze niet heel enthousiast. Tegelijkertijd realiseerde ze zich dat dit zwaarmoedige gedoe absoluut niets voor haar was, en ook niet was hoe ze haar laatste minuten op aarde wilde slijten en dus gaf ze toe.
‘Hey droefsnoet, draag jij de boel over aan de volgende shift?’ riep Maud, terwijl ze haar jas van de kapstok griste, en Hilda kon niet anders dan in de lach schieten toen ze de beledigde blik van Flip zag. Als dit Hilda’s eerste werkdag was geweest, had ze nu waarschijnlijk een enorme hekel gehad aan Flip, zo kinderachtig als hij zich vandaag had gedragen. Maar hoe verwaand en vreemd hij zich ook gedroeg, aan Flip kón je eigenlijk geen hekel hebben, althans, niet lang. Hij beurde je op als je verdrietig was, hij had chocola op zak wanneer je dat nodig had, en hij wist als geen ander hoe hij de rayonmanager moest paaien, al vermoedde Hilda al een tijdje dat dat laatste kwam omdat de rayonmanager meer geïnteresseerd was in de nummer vijf van Flip, dan in die van Chanel.
De beslissing om met Maud mee te gaan bleek geen slechte te zijn. Niet alleen omdat ze uiteindelijk terechtkwamen in een restaurant in één of ander steegje in Amsterdam waar Hilda nog nooit was geweest,maar vooral ook omdat Maud en zij véél meer gemeen hadden dan ze zich in het afgelopen jaar had gerealiseerd. Goed, Hilda rookte dan misschien niet, kneep geen langslopende obers in hun billen, boerde niet na het wegwerken van een glas bier, noemde het plassen en geen pissen en had daadwerkelijk nog nooit de behoefte gevoeld om in een restaurant spontaan het Wilhelmus te zingen, maar verder hadden ze écht heel veel gemeen. Zo had Hilda al die tijd gedacht dat Maud het typische voorbeeld was van iemand die in een winkel werken altijd had beschouwd als haar doel. Als ze iets meer interesse in haar had getoond, had ze geweten dat Maud al sinds haar jeugd droomde van een carrière als illustrator van kinderboeken en aan de tekeningetjes op her bierviltje te zien, had ze dat misschien ook allang moeten zijn. En hoewel Hilda altijd had gedacht dat Maud ieder weekend een andere meneer tussen de lakens verstopte, ontdekte ze deze avond dat de stoere, flirtende Maud al zes jaar geen man meer had aangeraakt, om de eenvoudige – maar pijnlijke – reden dat mannen het maar wat moeilijk vonden om haar aandacht te delen met Cas, haar ex-man die ze verzorgde. Eigenlijk heette hij Maarten, maar nadat een beroerte zijn hersenactiviteit had gereduceerd tot een minimum, en ze kasplantje zo’n kil woord vond, was ze hem gekscherend Cas gaan noemen. Daar kon Maud nog steeds hard om lachen, maar – zoals ze in geuren en kleuren uit de doeken deed – ontdekte ze steeds vaker dat ze de enige was. Hilda zei de hele avond weinig, niet omdat ze verdrietig was of niets te zeggen had, maar vooral omdat ze genoot van het luisteren naar Maud. Naar haar anekdotes, naar haar humor, en zelfs naar haar leed. Ze realiseerde zich hoezeer ze sociaal contact de afgelopen jaren had gemist, en hoe fijn het was om even niet aan zichzelf te denken, en zich volledig over te geven aan het bestaan van een ander. Ja, dit was absoluut één van de leukste avonden van de afgelopen vijf jaar, was de laatste gedachte van Hilda, voordat ze  op weg naar het toilet uitgleed over de Fristi die een kleuter zojuist had gemorst, en hard met haar achterhoofd op de glanzende tegels terechtkwam.


 Morgen meer.
Reserveer De zeven hemels van Hilda Hel alvast hier en krijg een naamsvermelding in het boek!

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00