Hoofdstuk 3 – Deel 1

Vind je dit gedicht mooi?Deel het op Facebook

hildaclaimer

Hoofdstuk 3

‘Naam?’ klonk het ongeïnteresseerd en galmend.
Hilda opende haar ogen. Ze zat op een glimmende grijze vloer, twee meter van een tafel vandaan. Aan de tafel zat een man. Hij staarde naar een stapel papier op tafel met een pen in zijn hand.
Het laatste dat Hilda zich herinnerde was dat ze wegsprong voor een vallende piano en het hard toeterende geluid hoorde van een bus die haar graag uit de weg wilde hebben, alleen niet op de manier waarop dat uiteindelijk gebeurde. En nu was ze hier in een vreemde ruimte met een man die ze niet kende. Het liefst had ze zichzelf wijsgemaakt dat ze weer aan het dromen was, maar haar gevoel zei iets anders. Ze was in de hemel. Alweer.
De ruimte waarin ze zich bevond leek echter totaal niet op de ranzige, maar gezellige ruimte waarin ze met Michael had zitten praten. Deze ruimte was koud, kil en vooral heel erg leeg.
‘Naam?’ hoorde ze nogmaals vanachter de tafel, ditmaal op een onprettig dwingende toon.
‘Eh, Hilda Hel’,  zei Hilda terwijl ze van de grond opkrabbelde. Ze keek om zich heen, maar vroeg zich direct af waarom, want er was niets anders te zien dan een grijze vloer zover ze kon kijken. Ze bewoog haar voet over de gladde vloer en bedacht zich hoe lekker het moest voelen om over een vloer als deze te skeeleren. Ze dacht aan wat Michael had gezegd over het feit dat de ontvangsthal niets anders was dan een projectie van hoe zij zijn hemel had gezien. Ze sloot haar ogen en projecteerde een stel skates onder haar voeten. Echter, toen ze haar ogen opendeed zag ze nog steeds de zwarleren Michael Kors-laarsjes die ze vorig jaar bij de outlet had gekocht. Ze haalde haar schouders op, blijkbaar was de hemel geen Disneyfilm, al wist ze nog niet helemaal of dat nu een voordeel of een nadeel was.
‘Studiejaar?’
Hilda was zo druk met haar gedachten dat ze volledig was vergeten dat er iemand tegen haar stond te praten. Dat was dus al de tweede keer dat ze hierboven een slechte beurt maakte, onbeschoftheid konden ze vast ook niet erg op prijs stellen.
‘Hoe bedoelt u?’ probeerde Hilda beleefd.
De man keek op van zijn stapel papier (waar overigens helemaal niets op leek te staan), en keek Hilda aan alsof ze zojuist de domste vraag ter wereld had gesteld.
Blijkbaar gaf de aanblik van Hilda de man weinig hoop dat ze hem zou begrijpen, dus hij stelde de vraag iets anders.
‘Geboortejaar?’
‘1982’ zei Hilda opgewekt, trots dat ze tenminste één vraag goed had weten te beantwoorden.
‘Hm. Ja, ik zie het,’ zei de man, inmiddels weer diep verzonken in een document dat nog altijd geen tekst bevatte.
‘U mag naar binnen,’ vervolgde hij met een handgebaar.
Hilde draaide zich om om de richting van zijn hand te volgen en zag tot verbazing een deur middenin de ruimte staan.
‘Moet ik nog kloppen?’ vroeg Hilda, bang om nóg een hemelregel te breken, maar de man en zijn tafel waren inmiddels nergens meer te bekennen.
Het verbaasde haar hoe rustig ze onder de hele situatie bleef en hoe snel ze aan het hele hemelgebeuren was gewend. Verschijnende deuren deden haar blijkbaar niet zoveel en ook het feit dat ze dood was maakte haar niet heel erg van streek, maar dat laatste kwam waarschijnlijk vooral door de gedachte (hoop?) dat ze uiteindelijk toch weer in haar bed terecht zou komen. Eerlijk gezegd was ze vooral benieuwd wat, of eigenlijk wie zich achter de deur zou bevinden. Ze hoopte op Michael, maar de omgeving waarin ze zich bevond gaf haar weinig hoop.
Hilda besloot dat er maar één manier was om dat te ontdekken en begaf zich in de richting van de deur. Na drie stappen merkte ze echter dat de deur zich ook in haar richting bewoog.
Van energie verspillen hield Hilda niet, dus ze stopte met lopen, en keek toe hoe de deur dichterbij kwam, zich opende en vervolgens met een noodgang om haar heen schoot. Ze kon een glimlach niet onderdrukken, want dood of niet, dit was best cool.
De kille grijze vloer had plaatsgemaakt voor een muffige ruimte die Hilda maar wat goed herkende. Het was het scheikundelokaal van haar oude school en de nostalgie raakte haar harder dan Lijn 2 naar Centraal Station. Hier had Hilda heel wat tijd doorgebracht. Niet dat ze er ook maar iets geleerd had, want scheikunde interesseerde haar geen bal. Cartouche daarentegen wist haar wél enorm te boeien en hij was dan ook de reden dat ze voor scheikunde had gekozen, zich niet realiserend dat ze er uiteindelijk ook examen in zou moeten doen. Dat had haar echter anderhalf jaar lang verdraaid weinig kunnen schelen. De woest aantrekkelijke uitwisselstudent uit Frankrijk, met z’n lange blonde haar en nette overhemden (mét kraag) sprak (nog) geen woord Nederlands en Hilda sprak op haar beurt nog geen letter Frans. Het gaf allemaal niet, want samen spraken ze elke week de taal van de liefde, op vrijdagochtend tussen 9 en 11 bij scheikunde. Althans, het was vooral Hilda die de taal van de liefde op zijn rug projecteerde, want meer dan zat zag ze niet van hem in de les. Een mooie rug, dat dan weer wel.
Na anderhalf jaar zwijmelen werd het echt plotseling menens toen de examens bijna voor de deur stonden en meneer Grimbergen plotseling morsdood neerviel in de klas. Een hartaanval zou later blijken en dat had Hilda verbaasd, want als iemand ontspannen door het leven ging was het meneer Grimbergen wel, in ieder geval wat werk betreft. Hij bemoeide zich niet met de leerlingen, en in ruil daarvoor bemoeiden de leerlingen zich niet met hem. Veel scheikunde werd er niet gegeven, maar Hilda had dan ook genoeg aan de chemie tussen haar en de Franse rug.


Verder lezen…
Reserveer De zeven hemels van Hilda Hel alvast hier

Plaats een reactie

Item toegevoegd aan winkelwagen.
0 items - 0,00